Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iij. Pause. 14 Wie is by u te vergelijcken?

Gy, die my proeven liet Benaeutheyd en verdriet In’t midden van gevelde pijcken, Hebt my een ander leven Weer op een nieu gegeven.

15 Gy die my deed ter aerde daelen Sult my doen rijsen op En voeren weer ten top Van waer mijn glans op nieuws sal straelen; Gy sult my nae mijn lijden Vertroosten en verblijden.

16 Op harp en wel-getoonde luyten Met sangh en vrolijck spel, O Heylg’ in Israel, Sal ick uw lof voor yder uyten, Met cimbalen en snaeren Sal ick uw roem verklaeren.

17 Mijn hert sal in mijn boesem springen, Mijn geest, in u verheught, Sal huppelen van vreughd, Mijn keel sal u met Psalmen singen, Want doen ’t my’t leven gelde Waert gy’t die my herstelde.

18 Mijn mond is ree, mijn tong ontbonden, Dat uw gerechtigheyd Door haer sy wijd verbreyd; Mijn vyand druypt en is geschonden, Sy staen met roode wangen Die nae mijn dood verlangen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.