Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 11 Looft God, ons Koningh, die zijn Hof Op Sion houdt, en singht hem Lof, Verkondight wijd en doet vertolcken Sijn daden onder alle volcken.

12 Hy soeckt den man die bloed vergiet, Des slachts en moords vergeet hy niet; Der armer en verdruckter klachten Sijn nemmermeer uyt zijn gedachten.

13 Ach, Heer, sie met meedoogen aen Het quaed dat my werd aengedaen Van die my haten en benaeuwen, Ruckt my uyt doods gewisse klaeuwen.

14 Op dat uw Lof in Syons poort Door my van yder zy gehoort En dat mijn siel haer magh verblijden In uw verlossingh uyt mijn lijden.

15 De Heydnen zijn geraeckt in’t net Van haer tot ons verderf geset, Sy zijn gesoncken in de grachten Waer in sy ons te smooren dachten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.