Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 5 Maer, Israel, vervalt soo wijt niet meer: Stelt u geloof op uwen God en Heer: Hy zy u onderstutter; Gy Arons huys, hy sy u toeverlaet; Betrouwt op hem: want als het quaelijck gaet Is hy een trouw beschutter.

6 Gy, die hem vreest met kinderlijck ontsagh, Steunt vry op hem die niet te kreucken plagh; Hy heeft ons niet vergeeten; Wy sijn altijds geweest in sijn gedacht: Hy sal aen ons en ’tpriesterlijck geslacht Sijn zegen ruym toe meeten.

7 ’t Sy dat gy zijt, of groot, of laegh en kleyn, Sijn zegen sal hy storten in’t gemeyn Op alle die hem vreesen: God maeckt geen scheel of onderscheyt van staet: Al wie hem vreest en die de boosheyd haet Die sal gesegent wesen.

8 Dit is mijn wensch: God, die den Hemel schiep, Die d’aerde scheydt van ’t grondeloose diep Wil u sijn seegen geven; De Hemelen houdt hy voor sijnen Throon, Het aerdrijck geeft hy aen den mensch ter woon Om rijckelijck te leven.

9 Van dooden, die ten graeve sijn gedaelt, Daer van en werd Gods eere niet verhaelt, Men looft niet sonder leven: So laet ons dan, wijl God ons ’tleven gond, Met lijf en ziel uyt onser herten grond Hem lof en eere geven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.