Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 4 Soo blinckt des Heeren eer, Maer uyt sijn woord noch meer Dat sielen sterckt en sticht; ’t Is suyver en oprecht, Dat yder een, hoe slecht, Tot wijsheyd onderricht. Sijn keuren, sijn bevel Sijn altijd goed en wel Vol heugelijcke waerheyd, Sijn Goddelijcke Wet Is reyn en onbesmet En geeft den oogen klaerheyd.

5 Sijn vrees is onbevleckt Die onse daegen reckt Tot in der eeuwigheyd; Wanneer hy Vonnis spreeckt Geen waerheyt oyt gebreeckt Of recht in’t geen hy seyt. Geen Goud, hoe schoon het schijnt, Hoe suyver, hoe gefijnt, Is van soo grooten waerde; Geen Hooningh komter by,

Hoe ongepijnt hy sy, Uyt wat gewest der Aerde.

6 Heer, die u dient en eert Werd door uw woord geleert; Groot loon hebt gy geset Voor dien, die u betrouwt, Die uw gebooden houdt En wandeld nae uw Wet. Maer wie verstaet of weet Hoe dick hy overtreet En dwaeld van uwe weegen? Ghy Heere, maeck ons vry Van sondens heerschappy Die wy onachtsaem pleegen.

7 Geef oock dat uwen knecht Sy nederigh en slecht, Geen wind van hoovaerdy Blaes hem met hooghmoed op En vul sijn ydle kop, Op dat hy suyver sy. O God dien ick betrouw, Ghy rotz, op wien ick bouw In spijt van alle winden, Laet doch het geen mijn mond Spreeckt uyt des herten grond Voor u genaede vinden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.