Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Schin. xxj. 1 Ick ben vervolght van Vorsten in het land: Maer vrees’ uw wet meer als de macht der Grooten, Die tegen my met onrecht sijn gekant. Uw wet en woord, wat dat my komt bestooten, Is al mijn lust, daer ick my in verbly Als een, die veel heeft voor sijn buyt genooten.

2 Van leugen-min ken ick my selven vry: Ick haet en schouw die sich daer mee geneeren; Maer uwe wet is hoogh geacht by my: Daer by en zijn geen schatten te waerderen: Dies siet men my, eer dat den dagh verspaedt, Tot uwen lof wel seven maelen keeren.

3 Och, wat al vree bevindens’ in der daed Die uwe wet recht kennen en beminnen! Haer wedervaert geen tegenstoot noch quaed Of haer gemoed vind sich getroost van binnen. Het is, o Heer, uw heyl daer ick op wacht, Oock was u wet mijn eynden en beginnen.

4 Mijn ziele neemt op u bevelen acht, En tot u wet voel ick mijn yver blaecken, So dat ick die bewaere dagh en nacht;

Gy weet hoe dat mijn lusten daer na haecken: Gy ziet dat ick u wel te dienen tracht, Want niemand kan voor u den schijn-deugd maken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.