Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

vi. Pause. 26 De Koningh doch in spijt van alle plaegen Verhardt in’t quaed en God in harder slaegen; Hy doodt al ’t eerst van mensch en vee gebooren; Een groot geschrey is door het land te hooren, Hy voert sijn volck, bewaert door ’t lamren-bloedt, En leydse heen als die sijn schaepen hoedt.

27 Hy leydtse heen gerust en sonder schroomen: Haer vyand, die’t so hoogh had opgenoomen Had nu de dood en ’t water ingezwolgen, En smoord’ in zee in’t midden van’t vervolgen. So dat sijn volck quam veyligh in het land Tot desen bergh, verkregen door sijn hand.

28 Daer hy het erf van andren gaf ten besten En heydenen verdreef uyt hare nesten

Dat Israel in haere tenten woonde, Dat op een nieuw het goed met quaed beloonde En weynigh nu om Godes daeden dacht, So krachtige getuygen van sijn macht.

29 Gelijck een boog door’t afdoen van de peesen Sich weerom recht en krijght sijn voorigh wesen So hebben sy het oude pad genoomen: En gaend’ op’t spoor van ouderen en oomen Sijn trouweloos (o schand, o spijt, o hoon!) Geweecken tot den onbekenden Goon.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.