Pause.
4 Gy hebt gesien haer listen en gewelt,
Mijn suckelen hebt gy te boeck gestelt,
Oock sijn vergaert mijn traenen, en gy telt
Mijn heymelijcke suchten.
Wanneer ick roep sal mijnen vyand vruchten:
Een groote schrick sal hem wel haest doen vluchten
Als hy verneemt de seeckere geruchten
Dat God is op mijn sy.
5 Dan sal ick in mijn geest verheught en bly
En nu herstelt en van haer laegen vry
Des Heeren woord, dat trouw is over my,
Met danckbaerheyd verkonden.
Ick bouw op God, en segh met volle monden
Ick vreese niet, alwaert dat om my stonden
Veel duysenden tot mijn verderf gesonden:
Wat sou de mensch my doen?
6 Is God met my wat quaeds kan hy my broen?
Sijn maccht is wind, en ydel is sijn woen;
Dies sal ick my nae’t huys des Heeren spoen
En tot sijn lof begeven;
Hy heeft my uyt de wisse dood geheven
En vrijdt mijn voed voor stooten en voor sneven,
Hy doet my voor sijn aengesighte leven
En sal my voorts behoen.