Pause.
4 Als ick door sorgen afgeslooft
Des avonds soeck wat rust te raepen
Denck ick op u, ick kan niet slaepen,
En noyt en zijt gy uyt mijn hooft.
Dewijl gy pleeght mijn hulp te wesen
Sal ick noch singen overluyt
Als gy om my u vleugels sluyt
En sult beschermen als voor desen.
5 Mijn hert was, Heer, aen u gehecht,
Mijn ziele heeft u aengehangen,
Uw hand bestierde mijne gangen
En heeft my over eynd gerecht;
Maer die, die nae mijn leven trachten
(By u so dierbaer en so waerd)
Die sullen onder in de aerd
Tot inder eeuwigheyd vernachten.
6 Men salse storten door het stael
En laeten voor de wilde dieren,
Voor wolven en voor felle gieren,
Dat yder daer sijn aes afhael:
Doch sal de Koningh vreughde krijgen
In sijnen God, en die hem zweert
Sal sijn beroemt en hoogh geeert:
De leugemond sal moeten zwijgen.