Tsade. xviij.
1 O God, gy zijt vol van rechtvaerdigheyd
En oock u wet, die gy ons hebt gegeven;
Sy wijst den wegh die ons ter deughden leydt
En is het snoer waer nae wy moeten leven:
Gy hebt aldaer, hoe gy wilt sijn bemindt,
Gevreest, gedient, den menschen voor-geschreven.
2 Dies had my ’t vyer mijns yvers haest verslindt,
Dat in mijn ziel rechtvaerdigh was ontsteken
Om dat ick zagh hoe weynigh datmer vindt
Die eens van u of uwe woorden spreken:
Uw woorden, die geloutert zijn en reyn
Als eenigh goud, hoe nauw ter toets gestreken.
3 Ick hebse lief; en, schoon ick slecht en kleyn
Van veelen werd verworpen, en verwesen
Voor hersenloos en sonder bloed of breyn,
Noch heb ick niet vergeeten u te vresen.
Uw recht is recht in alle eeuwigheen
En uwe wet sal altijds waerheyd wesen.
4 Ick heb veel kruys en tegenspoed geleen,
Ick heb veel leeds en lijdens moeten smaecken:
Maer, hoe ick wierd gehoetelt en bestreen,
Noch kon u woord mijn bange ziel vermaecken;
Sterck my daer door, so koom ick op de been,
En sal van nieuws weerom aen’t leven raecken.