Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Tsade. xviij. 1 O God, gy zijt vol van rechtvaerdigheyd En oock u wet, die gy ons hebt gegeven; Sy wijst den wegh die ons ter deughden leydt En is het snoer waer nae wy moeten leven: Gy hebt aldaer, hoe gy wilt sijn bemindt, Gevreest, gedient, den menschen voor-geschreven.

2 Dies had my ’t vyer mijns yvers haest verslindt, Dat in mijn ziel rechtvaerdigh was ontsteken Om dat ick zagh hoe weynigh datmer vindt Die eens van u of uwe woorden spreken: Uw woorden, die geloutert zijn en reyn

Als eenigh goud, hoe nauw ter toets gestreken.

3 Ick hebse lief; en, schoon ick slecht en kleyn Van veelen werd verworpen, en verwesen Voor hersenloos en sonder bloed of breyn, Noch heb ick niet vergeeten u te vresen. Uw recht is recht in alle eeuwigheen En uwe wet sal altijds waerheyd wesen.

4 Ick heb veel kruys en tegenspoed geleen, Ick heb veel leeds en lijdens moeten smaecken: Maer, hoe ick wierd gehoetelt en bestreen, Noch kon u woord mijn bange ziel vermaecken; Sterck my daer door, so koom ick op de been, En sal van nieuws weerom aen’t leven raecken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.