Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 9 Ick werd van wegen mijn vyanden Dewijl’t my quaelijck gaet Van alle man versmaet, Een yder stoockt met my zijn tanden, Dat buyren en bekenden Haer aensight van my wenden.

10 Mijn eer, mijn luyster is vergeeten Als waer ick in het graf, Men weetter niet meer af Als van een pot, daer heen gesmeeten; Ick moet met eygen ooren Der Grooten laster hooren.

11 Ick werd gedreygt, men doet my beven O Heer, dewijle sy Raed houden tegens my Om my te brengen om het leven:

Doch ick, spijt mijn vyanden, Verlaet my op uw handen.

12 Gy zijt mijn God; mijn tijd, mijn uyren Staen in uw wil; gy stelt de maet Waer nae het leven gaet, Gy kunt het korten of doen duyren; Verlost my uyt de klaeuwen Van haer die my benaeuwen.

13 Send dynes goedheyds lieve straelen Op my dijn trouwen knecht, Gy weet mijn saeck, mijn recht, Laet op mijn hooft dyn gunste daelen, Geen schaem-rood verf mijn wange Die na uw hulp verlange.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.