iij. Pause.
13 Als Israel dit quam te weeten
Is hy ten eersten opgeseten
Tot dat hy in Egypten quam,
Een vremdelingh in ’tland van Cham;
Daer hy soo wies in tal en macht
Dat hy den landzaet wierd verdacht.
14 De liefde der Egyptenaeren
Verkeert in haet, en die daer waren
Wel eer bemint in Iosephs tijd
Sijn nu vervolght, verdruckt, benijt,
Met list en valscheyd nae gespiet,
Maer God verlaet sijn volck noch niet.
15 Hy blijft als voor, haer trouwen hoeder.
Des send hy Moyses en sijn broeder,
Twee mannen van hem uytgekipt,
Die door veel wondren in Egipt
Vertoonden in het land van Cham
Van wien haer last en order quam.
16 Op sijn bevel quam diepe duyster,
Den dagh was zwert en sonder luyster;
De knechten volgen ’sHeeren last
En hebben op sijn woord gepast;
Het waeter keert in stinckend bloed,
De visschen sterven in de vloed.