Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iij. Pause. 13 Als Israel dit quam te weeten Is hy ten eersten opgeseten Tot dat hy in Egypten quam, Een vremdelingh in ’tland van Cham; Daer hy soo wies in tal en macht

Dat hy den landzaet wierd verdacht.

14 De liefde der Egyptenaeren Verkeert in haet, en die daer waren Wel eer bemint in Iosephs tijd Sijn nu vervolght, verdruckt, benijt, Met list en valscheyd nae gespiet, Maer God verlaet sijn volck noch niet.

15 Hy blijft als voor, haer trouwen hoeder. Des send hy Moyses en sijn broeder, Twee mannen van hem uytgekipt, Die door veel wondren in Egipt Vertoonden in het land van Cham Van wien haer last en order quam.

16 Op sijn bevel quam diepe duyster, Den dagh was zwert en sonder luyster; De knechten volgen ’sHeeren last En hebben op sijn woord gepast; Het waeter keert in stinckend bloed, De visschen sterven in de vloed.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.