iij. Pause. 14 Laet die in schand en ’tgraf versincken Die op den vroomen boos En schelmsch en goddeloos Van hovaerdy en hooghmoed stincken: Maeck stom de leugen-monden Die smaeck in valscheyd vonden.
15 O Heer, hoe groot is uwe goetheyd Voor dien die voor uw beeft En na uw wetten leeft! Al schijnt hy somtijts onder voet leyt, Geen dingh dijt hem ten quaede Die steunt op u genade.
16 Gy sult, die sich op uw betrouwen,
Verschuylen en behoen Voor die haer onrecht doen En soecken alle quaed te brouwen, Gy sult u volck bewaeren Voor die hier tweedracht baeren.
17 Uw naem, o God zy hoogh gepresen Voor dat gy my behoedt, Voor dat ghy so veel goed Aen my so dickwils hebt bewesen; Die my, hoe ’tonval kaetze, Doet staen ter goeder plaetze.
18 Al had ick onbedacht gesproocken In mijne haestigheyd, De hand des Heeren leyt, Sijn oogen zijn voor my geloocken: Noch voeld’ ick, als ick schreyde Dat ghy niet langh en beyde.
19 Lieft God, gy zijne gunst-genooten, Die vroome lien bewaert En trotse werpt ter aerd, Laet u geen ramp om verre stooten: Hy sal haer staende houwen Die sich op hem vertrouwen.
Cookies on Poetry Cove