Ziel-sucht, Tot God, in de hoogste benaudheyt: ver-oorsaakt door 't schrikkelijk on-weder, ons bejegend op de Zee, by Wicht, des nachts tusschen den 17 en 18 van Wijn-Maand in 't Jaar Christi 1641: op 't Schip de Goude-Ree, van Amsterdam af-gevaardigd, (neffens 't Schip Deventer) na Guinea: Den 11 deses Maands, en des Jaars voorsz. Stem: Van den 7 Psalm, Op u hoop ik Heer t' allen, &c.
1. O Vorst en vader van de Winden, Laat u (tot mijnen by-stand) vinden: Die nu (met een be-angsten geest) Als dood, de dood met suchten, vreesd: Ik word van tijd, tot tijd, noch banger: Ver-toefd (ó! God) ver-toefd niet langer. Mijn harte (van benaud-heyd) beefd, En wan-hoop schier, wijl het noch leefd.
2. Mijn Ziel, in d' af-grond, als ver-sonken: Mijn lijf, een dode-romp, ver-dronken: Mijn hoop (door vreês) ver-loren schijnt. En mijn gewisse, 't harte pijnd.
De Winden, werpen 't bovenst, onder: En buld'ren, (vreeslijk) als den Donder. De Zee, (als hoge-bergen) loopt Dwars over 't Schip; en dat schier sloopt.
3. Hoord, hoe mijn tong (belemmerd) mompeld Eer my, de dood, noch over-rompeld: Wiens voor-boô, my sijn schijnsel toond: Geen kracht, geen hoop meer in my woond. 't Schip held, en springt, en swayd, en slingerd. Door d' harden-stokert, fellen-dwingert Het (elken-blik) te stranden poogd: Den Oever, wrede-tanden toogd.
4. Bestuurder van de Winden, Waat'ren: Hoord haar geruysch, 't gedruys, en 't klaat'ren: Siet, hoe de Lucht ont-steken is: Tot onser zielen droeffenis. Wild doch de Wind, en Zee, betomen: Doet-se uyt geen' geweste komen: En helpt ons van de Lager-wal: Of anders wy beswijken al.
5. Ik ben ten eynde van mijn aassem: Bequalmd my met u zegen-waassem: Bestild de Zee se-is gestoord. Bewaard doch Ionas, binnen boord. Laat gau, dees' bange-nacht verdwijnen: De Son van u Genade schijnen: Weest ons een Wolk, een Licht, een vuur. Of wy versinken dese uur.
Cookies on Poetry Cove