Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Uyt de slaverny des sondige, en helsche AEgyptens: door de Woostijne deser Wereld, tot in 't beloofde Geluk-salige Hemelsche Canaän. Over het bittere onvergelijkelijk Lijden, en Sterven onses eenigen Salig-makers Jesu Christi. An het Kruyce. Esa. 53. 5.Hy is om onse overtredingen verwonded, om onse ongeregtigheden is hy verbrijseld: de straffe die ons den vrede an-brengt, was op hem, ende door sijne striemen is ons genesinge geworden. Rom. 8. 34.Wie is 't die verdoemd? Christus is 't die gesturven is. Phil. 2. 8.En heeft hem selven vernederd, gehoorsaam geworden zijnde tot de dood, ja den dood des Kruyces. Stem: ô! Heylige drie-tal wel-kom.

2 Sy leggen het vervloekte-KruysDeut. 21. 23. Op hem: hy moet het dragen, Na 't behagenGal. 3. 13. Van 't woedende (gemeen) gespuys: Dat hem (door sware plagen) Droef doet klagen, Hy, die het al sijn schepsel geeft: Nu self voor dees' sijn schepsels Beefd. Veroordeeld, en Verwesen: Om ons van schrik, en vresen Te genesen.

3. Psa. 82. 1Den Rechter aller rechten-Recht, 2 Chro. 19. 6.Word dus (t' Onrecht) ver-oordeeld: Ons ten voor-beeld, Te zijn (in 't lijden) duldig, slecht: Die d' hoog-moed steeds in 't oor speeld, En gehoor teeld. Dees' Leyds-Man, (in beloft) getrouw, Psa. 118.Dees' rechten Hoek-Steen van 't gebouw, Verwerpen de Bouw-Heeren. Die ons (tot hem te keeren) Poogd te leeren.

4. Men roept kruyst hem, kruyst hem, sijn bloed Zy op ons: en ons kinder: 't Is geen hinder. De Goed-heyt, aller goed-heyds-goed, Ons rust, en Vrede-Vinder, Ziels-Beminder, Die stellen sy (in 't openbaar) Esa. 53, 12.An elken zy een Moordenaar: So (schandig) moet hy sterven, Om (voor ons) te werven, 't Heyl te erven.

5. De Son (die nimmermeer verliep Haar palen, om te schijnen) Moet verdwijnen: Om dat sy 't Licht ('t geen haar eerst Schiep) Siet tot de dood toe quijnen, Vol van pijnen. Het Licht daar sy haar glans uyt-haald, Het Licht dat ons gemoed bestraald, Waar buyten dat wy duyster, Sitten in ('t helsch gekluyster) Sonder luyster.

6. De Voor-hang van den Tempel scheurd: De Doden die ver-rijsen: En bewijsen Dat Dese, die de Dood gebeurd, Ons (in den Paradijse) Voed met spijse. Dit roepen sy als uyt het graf: Hy Sterft die yder 't Leven gaf: En voede: met veel Mudden Van Tarwe, sijne Kudden.Psa. 81. 17. Aaard' wild schudden:

7. Schudden, en beven, dat het kraakt: Verheft u groten-Donder, Tot een wonder: Komt Weer-licht dat seer vurig blaakt, Komt vlammend'-vuur: en plonder 't Volk hier onder. Maar ach! mijn heldin spreekt te stout: Hy bid' self voor haar, an het Houd:Esa. 53. 12. Vergeeft dit hen: ô Vader, (Roept d' aller-levens-Ader) Alle gader.

8. Dees' suyv're-Beek, reyn, onbemorst: (Waar uyt levende-stromen Staag voort-komen) Die roept hier nu (ay-mijn!) my dorst: Van angst, en schrik, en schromen In genomen: Maar bitt're-gal, en edik, serp, Hebben dees' beuls (seyn-snijdend'-scherp) Des Levens-Bron geschonken: Hy heeft daar van gedronken: Is gesonken.

9. Sijn menschlijk-wesen, en gelaat Beswalkt 's doods-schaduw, krachtig: Hy valt klachtig. ô Aardsche-Worm, ô Adams saad Dit lijden zijt gedachtig: God, almachtig, Die Hemel, Aard, en Zee, regeerd, Word nu self van de dood verheerd: Men siet sijn wonden open Daar 't dier-b're-Bloed (met hopen) Uyt komt lopen.

10. Gods rechtvaardige toornigheyt Deut. 27.Die ons vervloekte noemde, Gal. 3.En verdoemde: Heeft hy alleen op hem geleyd: Gewillig: 't Offer roemde, 't Heyl verbloemde. Dit is Christi neder-daling ter Hellen. Door 't woord helle worden in de Schriftuur drie dingen verstaan: Ten eersten het Graf Genes. 37. 35. en Cap. 42. 38. Psa. 6. 6. Psa. 16. 10. Eccles. 9. 10. Iesa. 38. 18. Ten tweeden, de Helle of plaatse der verdoemden: Iob. 11. 8. Pro. 15. 11. Luce. 16. 23. Ten darden, benantheden, an-vechtingen, verschrikkingen des gemoets, en 't gevoelen van Gods toorne. 1. Sam. 2. 6. Psa. 18. 6. en 86. 13. en 116. 3. Dit heeft Jesus Christus na ziel en lichaam gevoeld, als hy Luc. 22. 44. In swaren strijd zijnde, sijn sweet wierd gelijk grote druppelen-bloeds, die op de Aarde af-liepen. Als hy leyde Math. 26. 38. Mijn ziele is geheel bedroefd tot der dood toe: En uyt-riep Math. 27. 46. Mijn god, mijn God, waarom hebt gy my verlaten? Want so hy (na 't seggen der Leugen-dichters) eygend-lijk gedaald is, in de plaatse der verdoemden, 't sou moeten wesen of na de Godheyt, of na de Ziele, of na den Lighaam: Niet na de Godheyt: Want die is over-al tegen-woord. Psa. 139. 8. Ier. 23. 24. Amo. 9 2. Heb. 4. 13. En onver-anderlijk: Malach. 3. 6. Iacob. 1. 17. Dies volgens kan die geen neder-dalen (eygentlijk) toe-geschreven worden: Niet na de ziele: Want die heeft hy in de handen sijns Vaders bevolen, Luc. 23. 46. Gelijk hy den Moordenaar beloofd hadde, heden met hem in 't Paradijs te wesen, Luce. 23. 43. Niet na den Lichaam, want dat heeft (na 't voorbeeld Jona Ion. 1. 17. Math. 12. 40. Luc. 11. 30.) drie dagen in 't graf gelegen. Luc. 24. 7. Hierom is 't on-eyndig-getal der beuselingen (van 't plaatselijk nederdalen Christi ter Hellen) meer te bespotten, dan met reden tegen te spreken: mits geen schijn van reden daar in bespeurd word: Want het was volbracht, na Christi eygen woorden. Die de zielen der vaderen doe niet en hoefde uyt het voor-burcht der Hellen te leyden: om dat die in Gods hand, by God, Ecl. 12. 7. in haar rust, in Abrahams-schoot waren: Luc. 16. 23. En (door een grote klove) van de plaatse der verdoemden af-gescheyden, Luc. 16. 26.Hy heeft de helsche-pijn gevoeld: En 't vuur van Gods gramschap verkoeld: Door Ziel, en Lijf, in 't lijden: Ons Ziel, en Lijfs verblijden, t' Eeuw'ge tijden.

11. Nu is het al, geheel volbracht, Wat daar oyt was geschreven: Als gedreven. Een blijde-dach, voor d' eeuw'ge nacht Heeft hy 'an ons gegeven: Ja het leven: Daar voor heeft hy sijn bloed gestort. Sijn zijde, (die ge-opend word) Laat rode-stromen vlieten, En water, uyt-waarts schieten: t' Ons genieten.

12. Hy die den Hemel heeft ten throon, En heerschet hoog, en heerlijk, Goed, en eerlijk: En d'aarde tot een voet-bank, schoon: Dit vuur dat (on-weerkeerlijk,) Is ver-teerlijk: Die Koningen ver-hoogd, ver-leegd: Die d' aarde (met een waag-schaal) weegd: En peyld d' onpeylb're perken: Die sluyt men onder serken. Wonder-werken.

13. Schoon d'aarde-buyk, en holle-schoot Ontfangt sijn dode leden,

Heel beneden: Hy heeft nochtans de Hel, den Dood, Den Duyvel al vertreden: En is heden Seer heerelijk weer-op-gestaan: En in sijns Vaders troon gegaan. Van waar wy sullen horen Komt hier die (van te voren) Zijt verkoren.

14. Komt hier besit mijns Vaders-rijk, 't Geen ik u most bereyden: Af-gescheyden Van 't on-bestandig blinkend'-slijk: In 't tranen-dal, vol Heyden: Daar gy schreyden: Maar d'and're stemme slings gewend, Gaat van my: 'k heb u noyt gekend, In d' af-grond blijft begraven: Die d' armen niet woud laven, Noch hand-haven.

15. ô! Jesu Christi, Mensch, en God. U Goddelijke-ogen, Vol medogen, Slaat op ons Heere-Zebaoth: Waar door gy hebt getogen, En bewogen Petrus (die 't harte voor u buygd:) Als 't Onreed'lijk ons overtuygd Dat wy niet met u waken. Maar uwe Godheyt laken, En versaken.

16. Besprengd doch met u heylig-bloed, De Posten onser zielen:

Mend' de wielen Van den verderver. Die (verwoed) De ziel soekt te vernielen: Keerd sijn hielen. Verlost ons (Heer) en maakt ons vry Van sond': en sondens-slaverny. En stuurd mijn tonge, sondig: Dat ik u dood (volmondig) Steeds verkondig.

Iacob Steendam. Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove