Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Tot betrachting der genade Gods, an d' Uyt-verkoornen: in de volmaakte vreugde, die sy verwachten. Stem: Laura sat lest by de beek.

1. D' On-uytdovelijke Glans (Die een heylig-vuur om-heynigd) Naakt de blijde-ziel: die thans Is door Christi-bloed gereynigd. Haar om-schaduwd noyt een kleyn licht: Maar d' on-naakb're-Majesteyt, Laat sijn glinsterende-stralen, Op haar (gonstig) neder-dalen: De Son der gerechtigheyt.

2. 't Heyl dees gulde-glans verseld: En is d'uytverkoornen veylig: Door den noyt verwonnen-Held. So volkomen goed, en heylig, So on-mételijk, on-peylig: d' Onbegrijpelijke-vreugd, (Sonder eynde) staag bejegend d' Eedle-ziel: van God gezegend: Boven haren wensch verheugd.

3. Maar als God dit lijf op-wekt (Voegende de ziel daar méde) En tot sich in d' Hémel trekt, Aller heyligen woonstede: Sal 't genoegen, rust, en vrede Gansch volmaakt, in allen zijn. Daar het eeuwig, eenig-Wesen Word (met blijdschap) hoog-gepresen: Voor sijn Goddelijk an-schijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove