An-gewesen op het treffelijk Bruydlofs-Feest, van den Wel-Edelen, Erentfesten, vromen, en seer kloek-sinnigen-Jongman, Jonkr. Wilhelm-Henrik van Welevelde Toe Der Klinken: Bruydegom. Ende de recht-edele, Eerbare, geestige jonge Dochter: Juffr. Florentina-Rengers Toe Den Berg: Bruyd. Beyde te samen in den Heyligen Echt getreden, en open-baar bevestigd in Over-ijssel: den 2 van Somer-maand, Oude stijl. 1640.
DOen lest de bléke-Maagd de Nacht-Godin, Diaan, Van Thetis wierd beswalkt uyt d'onge-peylde baan: Doen Phaebus sich verberg an d'Indiaansche-kusten, Liet ik (op 't sachte-bed) mijn swakke-Leden, rusten. Mits Atrophs-Suster, my lief-kosend had gelokt: En eyndelijk, geheel al levend' in geslokt: So dat ik buyten reên, en weten, heb gelegen: En in mijn slapens-graagt vernoegings-aas gekregen.
't Wijl ik dus sorg'loos lach heeft Morphus my geraakt, En in mijn veyl'ge-rust, gansch rusteloos gemaakt: Dat ik (als in den schijn) van Venus-hengstens vlokken, Door Pegasus self wierd gedragen, en getrokken Langs Junos blauwe saal: gelijk Bellerophon. Een schrik be-ving my 't hart, die my bewegen kon Te denken op den val des onbedochten vlieger, Die van sich selven was verleyder, en bedrieger. Ook hoe dat Icarus ontfing den Oceaan, Doen Phoebus hem in 't was sijn's wieken socht te braân: 't Geen doch als sneeu verdween en dé hem neder deysen: By Pluto in d' afgrond, en voort met Charon reysen: Ook docht ik an de spreuk, wie sich te hoog verheft, Valt lichtelijk ter neêr als 't ongeval hem treft. Dus hopeloos van hoop, dit onheyl eens t' ontkomen, Heeft weêr-wil my geseyd, het zijn maar losse-dromen Die u beswaren 't hart: gy sluymerd op u Koets: Het is een dwaal-geest, die u slijpt op dwaasheyts toets. Morphéus wederom door sijn genoemde prikkel, Heeft strak dees achter-docht geschonden met sijn sikkel: En toonde my de Zee die in het Zuyden leyd, Gy tast en voed het paard: wat dientter meer geseyd? Siet hier is saal, en toom, mend nu de slinker spandsel, d' In-beeldings achterdocht ik in der daad verhandsel, Verhandsel, en verstel, de waarheyt voor den schijn: Merkt daar Orphéus-Harp en Venus-nacht-gordijn. Dus dreef ik boven d' aard, en brak de vochte Wolken, Uyt 's Hollants énigste: een voedster aller tolken. Ik liet de soute-Nimph drie kruysen op de rug' En swierde langs het Y on-ogelijk, en vlug', Gelijk een lichte-pijl komt van de pees gevlogen, Wanneer den jager die heeft krachtig af-getogen. Dies in mijn snelle-vaard sach ik ter rechter-hand, De steden in het goy: en slings het vochtig-land:
'k Passeerde (sonder vrees', des Schippers vrese) Pampis, Die d' ydelheyt om-helst te recht vol leed, en ramp is: Mits dat hy wijsheyt soekt daar niet dan dwaasheyt is. Doch 's Hemels minder-oog verdreef de duysternis, En toonde my haar gonst: maar weynig om t' onbinden. Mijn vlugge-vlugt vergroot, of alle vier de winden De vlerken spreyden uyt, om my haar hulp te biên: Dat noyt het oog so snel 't gesicht gebied te sien. De helft des Zuyder-Zee (na 't lang en moeylijk suysen) Heeft my (van ver) getoond 't onwinb're schoon Enchuysen Als mee een vuur'ge baak op 't kleyne Eyland Urk: Ik liet 't geknoopte-spits, en vlood als voor den Turk: Vaard-wel ô! suyv're-Maagd met u blood-haar'ge vlechten, Docht ik in mijn gemoet: en ging mijn gangen rechten Na 't lage Eyland Ens, en 't wonderlijke-Dorp, Waar buyten, dat de Kerk omtrent een grote-worp Gelegen is, of meer, op 't uyterst an het water Ik hoorde diens gedruys en d' Echoos bang-geschater: Daar 't siltig groene vocht (in schuym) ten Hemel stuyfd, Dat d'oevers van het Land en dorre-strand bekluyfd. Ik liet de sture-vloed op 't spits van 't Eyland schampen, En sach (na weynig tijts) des Yssels-Stroom, en Kampen. Al-swevende mijn vaard (als voor de wind het kaf) Voor-by Geel-muyden heên: daar Keyser Karel, gaf Den Kuynder-kasteleyn 't Kasteel bewilligd Over: 't Geen namaals weird verbrand (door Nachtegaal, noch rover) Maar door de Bataviers: tot wraak der Boden-moord, Tot straffe, wierd de Roe, in Mastebroek gehoord. Mijn vlug' gewiekte-hengst begon sich te bewegen, Daar mee heb ik de Stad van Swol, in 't oog gekregen; Doen daalden ik ter aard (wiens steundsel dat ik verg) By Hattum (Swols gebuur) verkreeg ik Spoelderberg Tot rust: en ben aldaar voort van den hengst gestegen: Dewijl ik meerder was tot rust, als moeyt genegen.
So dra en had ik niet den Berg (als 't Bed) ontfaân, Of 't scheen Aurora liet haar stralen neder gaan: Ick sagh een grote glans, en glinsterende-klaarheyt, In dien 't geen Droom en was, so docht my in der waarheyt Dat ik Minerva sach geknield, voor Iupijns troon, Met Iuno, Venus ook, de dwingster aller goôn: Voor Iupiter (seg' ik) boog Venus in het midden, Beginnende aldus ootmoedig hem te bidden. Nu Florentina sich aen Wilhelm heeft verplicht, Nu sy getroffen zijn met enen gouden Schicht: So gun dat ik haar mach met ware-Liefd' ver-éren. Daar op ging Pallas sich tot haren Vader keren: En sprak verleend dit Paar u wel-gegunde gonst, Dit is dat sy in Reên, in Wetenschap, en Konst, Steeds bloeyen als een Bloem: en dat door 't Woord verwonnen Mach zijn d' on-wetenheyt: gelijk nu is begonnen. Hier op quam Iuno ook (vol glans en luyster) voort, En sey, mijn lieve Man, verstaat een énig woord: Vergun dees waarde-twee u mildelijken zegen, Dat haren overvloed (door uwe gonst verkregen) Gedyen mach tot vreugd, van die haar welvaard siet: Omtrent den Ysel-Stroom, en Kristalijnen vliet. Laat hun der goden drank, en lip're Nectar, drinken: Dat Salland sich verheug, en doet sijn galmen Klinken, Tot eer van 't eêl geslacht, het welig-Weleveld: Op dat daar van 't gerucht word an de lucht gesteld: Tot roem van 't groot geslacht des Drostens 't Ysselmuyden. Geen angename-geur, van lieffelijke-kruyden, Voortreft het rechte lof: Daar mede sweech-se stil. En Iupiter begon sijn reden, na de wil. Gelijk een vrugtbaar Hof bedaud, bevocht, bewaterd, Daar aller voog'len galm door telg', en blad'ren schaterd. Daar 't heugelijk gedruys, en 't ruyschende geluyd Sijn weder-gallm roept, en lokt den Echo uyt:
Daar steeds den Nachtegaal (gelijk der stemmen Moeder Verseld met het gesang, in 't loven van den Hoeder) Sich voor den Dageraad al-singende verbergd: Mits dat daar meerder is dan billijk word geverghd, So dat den Hof met recht by Eden word geléken: Want daar het alles is en kan ook niet ontbréken. Daar Violetten staen: den rood geverfde Roos, Die (neffens Lelien) vertoond een schoon gebloos: Daar Flora overtreft Tapijten veel-koleurig: Daar niet alleen koleur, maar reuk, verspreyd sich geurig: Daar sich het lipper-soet so werkelijk vertoond, En aast 't vermufte-breyn, daar asens-graagt in-woond Daar niet alleen de geur des Reuks, verquikt de Harssen, Maar ook een serper-Smaak van Druyven, en van Karssen, Verfrist 't ge-aasde-Rif, vernuwd den Appetijt, Verdrijft qua-Aassems lucht, en maakt de Scheurbuyk quijt. Gelijk soo'n Hof, beplant, in 't soetste van de tijden, Kan yder jeugdig mensch na ziel, en lijf verblijden: So sal het Huwelijk van dees' gelievers zijn. U beden zijn vergunt, u wille is de mijn: Wat heden is geschied, moet haar tot heyl geschieden: Liefd, Wijsheyt, Rijckdom, macht, kom ik haar veylig bieden. Hier op sprak Delius neemt Sangsters u begin, En singt (het paar tot lof) dit vaarsje na den sin.
Cookies on Poetry Cove