Toe-ge-eygend de Eerbare jonge Dochter A biegel Rampaarts: Op hare Verjaring den 3 van Lente-maand. 1641. Oud zijnde 19 Iaren.
't IS geleden weynig dagen Dat ik u eens hoorde vragen. Na de Dagen van u Tijd: Gy die thans mijn oog-wit zijt. Daar op ik (met korte woorden) 't Ongeveynsd bescheyt an-hoorden: Heb daar neffens ook gesien Uwe jaren, Negentien.
Als een Roosje (schoon in 't groeyen) Toond haar jonkheyt door het bloeyen, t' Wijl-se vars ontloken staat: So u angenaam gelaat Steld u jeugd en tijd voor ogen, Als een schaduw wech gevlogen: Nimph van u Geboortens-dach, Die een vroege-wenscher sach.
U Abiegel sou ik ménen Wiens Verjaring (nu verschénen) My door reden heeft verplicht, Als door een ontsteken-licht, Om (in 't val-schot uws Geboorte) Te ontgrendelen de poorte Van de al-gemene Stat, Die des levens heyl om-vat.
Juyst de Jaren Tien, en Negen Is 't geleden, dat de zegen, Dat Gods sterke Rechter-hand, Brak des Moeders nauwe-band: Na dat u ons' Al-behoeder In het lichaam van u Moeder Had gebeeld, van slijm, en bloed, Tot een schepsel reyn, en goed.
Hier wil ik u in vermanen, Dat gy nimmer tracht te wanen Iet te hebben van u self: Onder 't blauw en rond-gewelf: Maar dat God u heeft gegeven Lijf, en ziel, en lucht, en leven: 't Geen hy alles (door sijn kracht) In het wesen heeft gebracht.
Dit sal u (als fakkel) leyden: Dit sal hart, en mond bereyden Tot een ongeveynsde-dank: Door een self-gewilde dwank: Hier door sult gy eeuwig prijsen Hem die u heeft op doen rijsen, Uyt dit niet ge-achte stof: Dit werkt altijt dank, en lof.
Hier hoord gy des Heeren werken Met doorsichtigheyt te merken, Dat hy u gegeven heeft Sulcken schepsel als hy geeft Sijne Kind'ren altesamen: En sijn lieve Erf-genamen: Dit is dat gy zijt een mensch: Reed'lijk na de hoogste-wensch.
Die met op-gerechten hoofde, Uwen God met kennis loofde: Die 't al onder-worpen is: Dieren: Voog'len, Vee, en Vis: En al 't geen sich meer kan reppen: Daar hy u had kunnen scheppen Tot een van het boos gediert: Dat al woedend raast en tierd.
Maar den Schepper seer genadig, Is an u geweest weldadig: Want hy heeft U (na sijn beeld) Schone gaven mé gedeeld. Zijnde onder 't al verderven, Heeft hy d'ouden-mensch doen sterven: En u met sijn Geest begaafd: Die de ziel verquikt, en laafd.
Mits gy weder zijt geboren, Daar gy voortijds waart verloren, Door de algemeene-Val, Die den Vloek vervolgen sal: Die alleen des Levens-ader (Ons gesonden van den Vader) Uyt genaden op hem nam: Want hy als Verlosser quam.
Hier in leyt alleen u welvaard: Dit bevrijd u van de Hel-vaard: Dit verlost u van het quaad Dat noyt dood, noch Hel versaad. Dit wijst u alleen na boven, Om u God en Heer te loven: Die u met genade kroond: Die u sonder werken loond.
Hier toe brocht hy u te voorschijn: Hier toe laat hy u gehoor zijn, Dat gy recht bekennen soud, Wie u helpt, en u benoud: Hier toe heeft hy u geschapen Met een Schild, Geweer, en Wapen, Waar mé dat gy strijden meugt, Tegen yd'le-pijn, en vreugd.
Tegen laster, haat, en leugen: Hier in sult gy u verheugen: Zijnde door u naam verpand, Als een krachtig-Bolwerk: want Om te sterven, leefd gy heden: Om te leven, sult gy treden Uyt dit leven in de dood: Als u God te leven nood.
Dit behoord gy te betrachten: Woorden, werken, en gedachten, (In al 't geen gy doet, en laat) Eyschen hier volkomen Raad: Sulken Raad die (als een Spiegel) U vertonen mach (Abiegel) Waar toe God u heeft gevormd, Tot een spijse van 't gewormt.
In 't betrachten siet wat varder: Want ons aller zielen Harder Sal u lichaam (door sijn woord) Uyt de Aarde, trekken voort: En dat met de ziel ver-énen, Om een vreugde te verlénen Die noyt oge heeft gesien: 'k Wensch dat dit u mach geschien.
Neemt dees Les, en wensch ter harten, Als u, de bestrijders tarten: In de Wereld vol verdriet, God verlaat de sijne niet: Denkt den Vader van de wesen, Wil ik, na 't behoren vresen: En hem dienen na sijn Wet. Niet en is hier dat my let.
Jacob Steendam.
Noch vaster.
Cookies on Poetry Cove