Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Op de voor-gestelde vrage des Seg-bloems, tot Seg-waard: onder 't woord Segt Waarheyt. Waar door een maan-wijs Sotnoch sotter word gebroed? Van viermaal dartien (twalf, en dartien geboek-staafde) regels. Vertoond tot Seg-waard den tweden dach van Pingster, 1638.

DEs Seg-bloems vrage van 't versotten in de sotten, En raakt geen kindse-gek, misdeeld in het vernuft: Noch geen gemaakte-sot, ge-oeffend in het spotten: Noch die (met raserny) door kranke-sinnen suft. Maar een verwaande-nar: laat-dunkende: Wiens dwaasheyt (Gebaard uyt eygen-liefd) veel grote dingen waand: En door hoogmoedigheyt (met snorken, en geraas) seyd Dat hy met sijn verstand self alle diepten baand. So ydel is den sot, so dartel, so vermétel, Dat hy noyt letsel siet in 't geen hy laat of doet: En dat hy niet en word gestoten uyt den setel Is d' oorsaak (so ik recht de waarheyt spréken moet) Waar door een waan-wijs Sot noch sotter word gebroed.

Siet hoe der sotten-sot (als Midas) is verwonnen Van 't leveloos metaal: en kanker in de rust. Begeerten (sonder maat) gelijk die zijn begonnen Vermeerderen haar graagt, en aselose-lust: Dus waand den waan-wijs sot noch 't beste deel te kiesen: En lasterd die het haat, na Godes Wil, en Woord: En arbeyd so het heyl moet-willig te verliesen: Mits dat hy gierig soekt al wat men siet, en hoord:

Gelijk Eusopus Hond hapt (met een groten honger) Na 't schijnsel van het aas: 't ontsinkt hem in de Vloed: Een losse-schaduw maakt hem jeugdiger en jonger: Dit's d' oorsaak (so begaafd met sulken schijn van goed) Waar door een waan-wijs Sot noch sotter word gebroed.

Dees' wijs-ge-achte-dwaas acht sich begaafd met schoonheyd: Gelijk Narcisses sich eens spiegeld in de Beek: Die hem als sinneloos om dees' gewaande-kroon vleyd, Als hy de schau sijn's beeld maar in het vocht bekeek: Wat ongemeene glans schijnt hy hier in te vinden? Maar ach! het is een Schim die hy omhelsd, en houd: Sijn beyde handen vol van wech-gevlogen winden: Hy siet het dat hy derfd, en mist het dat hy schoud. De waan vernietigd ook in hem de volse reden: Hy word het geen hy waand: mits waan geen reden voed. Hy word een tere-Bloem, en van het Vee vertreden: Want d'oorsaak, is (als waan, des waners lusten boet.) Waar door een waan-wijs Sot noch sotter word gebroed.

Eer dat de lust sich sloopt, moet sy haar minnaar sloopen: Het harte is vervuld met enkel sotterny: Een Duyf, een Tulp, een Steen, doet hem veel wonders hopen Een suur-sien maakt hem droef, en lachchen weder bly. Nochtans hy op het Ys sal grote-sterkten bouwen: En op een harde-Rots hy noyt sijn voeten set: Maar vleys voor sijnen arm hy immer poogd te houwen. Sijn eygen sin'lijkheyt in stee van Godes wet: Dus troeteld hy sich self in 't eygen in-gebeelde: Ontmoet hem dan 't geluk, ontvlied hem tegenspoed (Wanneer een kakkerlak hem in sijn sotheyt streelde) 't Is d' oorsaak (als men hem niet straffende begroet) Waar door een waan-wijs Sot noch sotter word gebroed. Jacob Steendam. Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove