Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Ecc. 3. 4.(Daar is) een tijd om te wénen, ende een tijd om te lachchen. Stemme: Doen Daphne d' overschone Maagd.

1 't VErhémeld van Den Dageraat,

Gemengelde-blauheyt, In 't koperig-root: 't Gewémelt kan Sijn lage-staat Ver-ruylen, in lauheyt, Van Delius schoot: 't Helder-geflikker Der tintele-Starren, 't Silverig-licht Des Kuysse-Godin, Laat d' Al-beschikker In nevel verwarren: 't Jachtig gesicht Om-helsd haar geiwin. d' Echo's geschater blijft Daar-se het water drijft, 't Ruyschende-stroompje, Wiens siltige-vloed Het mensche-lijk-boompje (Al lachchende) groet.

2 So 't al ras op (In deugde) springt, So jeugdig, en vrolijk, Wiens lieffelijkheyt Self Pallas-Top Tot vreugde dwingt? Hy is dan een molijk Die sich niet bereyd 't Jilpende-keeltjes So heuglijk te volgen: Geestige-geest Verheft u geluyd. VVorden oyt veeltjes

Door stemmen geswolgen In énich feest Van Bruygom, en Bruyd, So sal 't dees' Bruydlof doen: Die (als een kruyd-hof) groen Staat, vol Rosieren: VViens çierlijk gewaad Ons Deur-Hofdoet swieren, Daar 't Roosje in staat.

3 Het lipper soet Haar serpte sloopt Door dubbelde soetheyt, Saffranig: wiens geur Den Schipper voed, Die 't scherpte hoopt Van d' Hemelsche-goetheyt: En minderd getreur. Dromige-Suffers Naderd ons Bruydgom, Mits hy u trotst In 't vryende-werk: Keerd brave-Iuffers U af-keerheyts schuyd om, Nu men na-botst Den Meester, als Klerk: Dat-se die swanger gaat Komt in geen banger quaad: Dat-se mach baren Een Huwelijks-dach. Noyt soeter dan paren, Men immermeer sach.

Jacob Steendam.

Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove