Eygen-andwoordende Weer-galm: Op de voor-gestelde sin-rijke vragen.
TOt sterven word den mensch (van 's moeders lijf) geboren.
Tot leven heeft hem God (voor 's werelds-grond) verkoren.
Door moet-wil leefd hy niet gelijk hy leven sou.
Door straffe heeft hy niet het geen hy hebben wou.
In moeyt bestaat (geheel) sijn tydelijke-leven.
In heyl bestaat het geen dat God hem poogd te geven.
In rust bestaat de dood diens die in Christo sterft.
In 't onwaardeerlijk-goed, diens die de selfde derfd.
Ik spreek gelijk gy doet Foullon en uyt mijn vragen,
Wiens méning ik altijd de wereld wil voor-dragen. Ik volge mijnen plicht, en roem u met een lied:
Die dus het oog-wit treft dat al de wereld siet,