Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Dat is, Ernstige over-wéging, van 't on-gemeene, en Saligmakende Lijden Jesu Christi. Anno 1650.

SO var de Gulde-Son haar glans-gewiekte stralen (Door een geveylde-drift) doet op dit grond-vlot dalen: So var de pekel-vloed d' uyt-heemsche-oevers lekt: So var de snelle-wind sijn vlugge-vlerken strêkt: So var de ruyme-lucht (met een gedreven waassem) Oyt levendige-ziel gegeven heeft den aassem: So var het sondig-saad van (Adam) d' eerste stam, Op 't gantsche ronde-rond sijn plaats, of woon-sté nam: So var diens ranken zijn op d' aarde uyt-gesproten, So var dit machtig-volk haar delen mach onthloten: So var daar yemand leefd, of immer leven sal, Die roep ik tot den dach, en soen van d' eer ste-val.

An-schoud, be-merkt, door-grond, dit wonder-werk, scherp-sinnig: Bedenkt de goedheyt Gods: en 's Duyvels-boosheyd, vinnig. Mijn Schreeuw-galm vul u oor, als 't Goddelijk geluyd Dat yder trotst, en dreygd: en niemand buyten sluyt: Dat self het wreed-ste hart (door kanker-knaging) prikkeld: En in 't gekneusde-rif sijn zegen-balsem wikkeld: Dat bose voeten mend, en 't quade oog-wit sloopt: En dat den tragen (hier) vervaardigd, dat hy loopt: Bekruypt het ingewaand, en kan de sinnen slaken: En kan van dorre-kley een vette-aarde maken. Dees' God-beseten-toon vervul mijn heesse-keel: Be-vrucht het innerlijk verstaalde-bekke-neel Van al 't ontheylde-volk: die dese Blijde-boodschaap Gehuys-vest sullen sien, in haar ver-aarde dood-stap. Wiens scheel-peyl (voor-stels gang) 't bepaald-geseg ontgord: En schroom-baaks setel schaakt, en stremd: en neder-stort Een heyl-bevluysde-sang: in schel, en Hemels-trypel: En heyd d'ont-gronda-grond: en handigd 't lang getijpel: Ont-riemd de gordel-gesp, door ses-paar in de maat: Wiens op, en neder-gang geen sang-konst-meester slaat: Beslommerd met yet aarts. Maar louter, heylig, Hémels. De veelheyt, Meel-bloems stof, vernietigd weynig sémels. Roep ik het Drie-maal-drie, genoten Helicon? Of soek ik Paegasi, en sijn gewijde-bron? Of smeek ik Phoebi-glans? of wel Minervaas wijsheyt? Of Venus, die de kilt ontvriest, die in het ys-leyd? Of troetel ik Mercuur (met reden) om de reên? Neen: van dien ganschen hoop word niemand an-gebeên: Die voegen Naso best, en Maro: wie het lasterd: En haar die (door een waan) zijn van de reên verbasterd. Maar ik, ik roep hem an, die yders waan bespot: Dat is den drie-in-een den aller Goden-God: Wiens nimmer-slapend oog (al-siende) ons beflonkerd. Wiens weet (in goed, en quaad) geen hoogt, noch laagt verdonkerd.

Wiens eyndeloose-gonst hoord, die het hem behaagd. Wiens rechts-gerechtigheyt den goddelosen plaagd. ô! Opper majesteyt, bestuurder aller dingen, Wild mijn verstompte-pen tpt regels-rechtheyt dwingen: Be-vracht mijn teder-breyn, be-ballast mijn gemoed Met kennis, yver, reên, en God-gevlamde gloed: Op dat ik (on-geveynst) vertoon (in mijn verhaal-reên) U Goddelijk besluyt, en aller dingen paal-steen: Wiens uyt-komst (door u macht) recht tijdig word voltoyt: So dat geen tegen-drift haar voort-gang loopte, oyt. 'k Vertrou, en volg u woord, en wacht een blijden-somer: Wiens tegen-beeld beschaamd des sotheyts faab'len-dromer. Mijn geest ontvonkt, ik voel een Goddelijke-brand: Het schijnt een gloende-kool vervormd mijn dwaas verstand. Mijn voet-gewijde-spoor ontbloot 't gedreven nood-lot, En haspeld het gevolg: ja schilderd d' aarde-kloot vlot, Met al haar schat, en roem: verkeerlijk als de min. Die schaften beelden lust, hoord toe, hier is 't begin.

'K Hef mijn reden: neygd de oren, Adams af-ge-aarde Saad: Om (met an-dacht) an te horen, Christi lijden: Dood, en smaad. Neemt ter harten (u ten goede) Hoe des Werelds-Schepper leed: Hoe u Heyland was te moede Doen hy met de Machten streed'.

Die de Aarde heeft Geschapen: Word van Stof, en Drek bestreên. En hy wil door Schild, noch Wapen Sich beschermen, hier, beneên. Die een Swaard (gewet) twee-snijdig Voerd, en houd, en dreygd te slaan: Wil den Duyvel (ook hoe nijdig) Met geen swaarden tegen-staan.

d'Alder-Trouste in wel-daden, Die (hoe groot) de minste diend: Psa. 41. 10.Word te Trouweloos ver-raden: Psa. 2.Van sijn Knecht, en eygen Vriend. Die men (heylig) hoord te kussen: Word ver-raden, en verleyd Met een Kus: om so te blussen d' Onversade-gierigheyt.

Die sijn Dienaars wiesch de voeten, Ja d' onreyne ziele mé: Komt sijn Dienaar (vals) begroeten: So als Ioab Abner dé. Die een Heer is, aller dingen, Alles daar den Mensch op stoft: Word om dartig Silver-lingen, Van sijn eygen Knecht ver-koft.

Die ons tijd, en plaats bepaalde, Die ons onderhoud, en voed: Die ons vry-koft, en betaalde: Met geen Goud, maar met sijn Bloed: Word verkoft, betaald, gegeven Voor een seer geringen prijs. Steld (voor ons) tot soen sijn leven, Van den Val in 't Paradijs.

Die ons al Ont-bind van sonden, Van doods-banden, en geweld: Word verweldigd, en Gebonden, Word geknéveld, en gekneld. 2. Chro. 19 6.Die den Rechter is, der rechten: Word hier voor het Recht gesteld. En men poogd hem te bevechten, Jesa. 9.Schoon hy is der helden Held.

Die men Rékenschap moet geven, Van ons leven, voor de Son: Eyscht men Reden van sijn leven: Schoon hem niemand straffen kon. Die de Waarheyd is: waarachtig:Joan. 14. In wiens mond noyt Logen woond: Word met Valscheyt (fel, en krachtig) An-gevochten: en gehoond.

Die den stommen wel doet spréken, En de tong des sprékers bind: Staat (als stom, en vol gebréken) Voor de rechters: stom, en blind. Die het roer is, en regeerder Van de tong (hoe wel bespraakt) Schijnt een Schaap: dat voor sijn scheerder Geen geluyd, noch stem en maakt.

Die met Starren (nau te noemen) 't Uyt-gespan te çieren weet, En het Veld Bekleed met Bloemen: Dekt men, met een Purp'ren-kleed. d' Opper-Koning (groot van waarde) Steld men spottelijk ten toon: Die de Vorsten Kroond, op d'aarde: Kroond men, met een Doorne-Kroon.

Die de Aarde, en den Hemel, En de Zee (hoe groot en diep) Met al 't levende-gewemel, (Dat hy in 't beginsel schiep) Stuurd, regeerd, beweegd, in allen: Dat het sich niet roeren kan, Sonder ook sijn wel-gevallen: Stuurd men self van man, tot man.

Die de grote-Zee doet koken, En de hoge-Bergen slaat, Dat-se beven, dat-se roken: Word geslagen, en gesmaad: Word gelasterd, en belogen, Word gegeesseld: sonder schuld: Word ver-acht, bespot, bespogen. Word een spiegel van geduld.

Psa. 82. 1.Die (Als Rechter) in de Vier-schaar Aller Rechters sit: en heerst: En de saak der kleynen dier-baar Houd: en redden wil op 't seerst: Die de Levende, en Doden Oordeeld, in gerechtigheyt: Word ver-oordeeld van de Goden: En also ter Dood geleyd.

Die den Hoek-Steen is, der Dorpen En der Stedenen-gebou: Word (verachtelijk) verworpen, Van de Bou-liên: ongetrou. Die den Grond-Steen is, en Rotse Daar Gods-huys staat op gevest: Word vertreden, van het trotse, Phariseesche-wolven-nest.

Die ons Vrij-spreekt, by den Vader: Word Ver-wesen, tot de Dood. Om de sijne, alle-gader Te verlossen: uyt de nood: Die veel sieken heeft Genesen, Die veel Doden heeft Verwekt: Word hier tot het kruys verwesen: En moordadig uyt-gerekt:

Maar die (God'loos) heeft gebroken 't Beeld, dat God sich selven schiep: Word volkomen vry-gesproken: Schoon hoe var de misdaad liep. Hier den vromen te verdoemen, En den bosen voor te staan, Is een gruwel: ook te noemen: Nochtans word het dus gedaan.

Die de Lammeren verscheurde, Word verschoond: en wel gehuyst. Die den droeven 't hoofd op-beurde: Word genageld, an het kruys. 't Schaap te vangen, en te doden, En den Wolf te laten gaan, Is ons door den aart ver-boden: En door reden af-geraân.

Die so hoog is, en so Heerlijk, Dat hy allen heeft ver-eerd: Word Mishandeld: ook so deerlijk, Dat men 't an-sicht van hem keerd.Esa. 53. Die de Eng'len steeds an-bidden, En de menschen, vol ge-vaars: Word gehangen, in het midden Van twee snode Moordenaars.

d' Alder hoogste in be-trachting, d' Alder-grootste in der daad, Is de laagste, door ver-achting, Van den Mensch: vol nijd, en haat. Die soo vroom is, en rechtvaardig, Dat hy ook geen sonde kend, Is gerékend so on-waardig, Dat sich yder van hem wend.

Die on-nosel is bevonden, Die onschuldig is verklaard: Word ver-acht, van alle monden: Als de snoodste op de aard. Die de schoonste is, der Menschen: Word geheel, en al mismaakt, Word (na 's Duyvels lust en wenschen) Tot in 't binnenste geraakt.

An de Ziel: wiens bit're Lijden (In den al te bangen-hof) Self de angsten aller tijden, Aller menschen over-trof. Doen hy uyt-riep (vol benaud-heyt) Ach mijn Ziele is bedroefd: En in d'uyterste verflaud-heyt, Van een Engel troost behoefd.

In een hof: den hof in Eden, Viel den eersten Mensche af, En de Twede heeft geleden, In een hof, des af-vals straf, In een hof is hy begraven, En de prikkels van de dood, En de macht der helsche-slaven, Van haar scherpt', en vrucht ontbloot.

Doen hy 't klamme sweet uyt-braakte, Met veel grote drup'len bloeds: Doen hy in de ziele smaakte 't Bitterste, des Helschen-gloeds: Doen hy neder was gesonken, En het grond-sop, en het gift Van Gods-toorne, heeft gedronken: Door sijn liefdens hoogste-drift.

Om ons van den vloek te vrijden, Is hy tot een vloek gesteld: Om ons eeuwig te verblijden, Lijd hy 't vinnigste geweld: Om ons angenaam te maken, Is hy so on-an-genaam: Dat sijn trouste hem versaken, Hem ver-laaten, al-te-saam.

Die ons (recht te) Bidden leerde, Die den Vader voor ons smeekt: (Wiens gebed noyt weder-keerde, Als hy voor de sijne spreekt) Bid voor sijn on-kunne moorders: Hoe verwoed, en on-beleefd: En sijn bloed geeft (an den hoorders) Beter stem, als Abels geeft.

Die hier an sijn ondersaten (Rijkelijk) sijn goed ren deeld:Psa. 22. 19. Siet sijn kleed'ren van Soldaten Délen: daar-men over-speeld: Die het Löt weet toe te méten (Hoe het valt) an wien hy wil: Siet het op sijn Rok gesmeten: Om te eynden het geschil.

Die de Spyse is, der Zielen:Pro. 16. 33. Spijsd men nu met bit're-Gal: Poogd men (bitter) te vernielen. En so boet hy Adams-Val. Die sijn Schapen (wie-se haten) Noyt verlaat, in tegen-spoed: Schijnt van God, en Mensch verlaten: Dat hy als wan-hopen moet.

Jer. 2. 13.Die de Spring-Aar van de stromen, Am. 9. 6.Van des levens-water is: Die de vloed der Zee doet komen Op de Aarde: Loof, en Lis: Klaagd (benaud, be-angst) te Dorsten: Na de Saligheyt van ons. En men schenkt dien Vorst der Vorsten, Sure-Edik: uyt een spons.

Die het Leven mede-deelde Alles datter leefd, en sweefd: Die ons wederom her-teelde: Schijnd nu dat niet meer en Leefd. Die self Leefde voor de tijden: Deut. 21. 23.Sterft nu an 't vervloekte-hout. Gal. 3. 13.Lijd 't onlijdelijkste-lijden, Dat oyt Mensche heeft benoud.

Die den grooten, trouwen-Harder, Van sijn Schapen is: en doet, Dat den Wolf sich nimmer varder (Als hy wil) begeven moet: Word ver-nield, ver-scheurd, ver-slonden, (Als een teer, en weer-loos Lam) Van de wachters, van de Honden: Schoon hy onsen last op-nam.

Die de Vader is der Geesten, Geeft den Geest in 's Vaders-hand: Word van d' alder felste-Beesten Honden, Stieren over-mand. Die den bosen 't hart door-prikkeld, En den vromen lieflijk schiet: Word een Spies in 't lijf gewikkeld: Waar uyt Bloed, en Water vlied.

Bloed, en Water om te Dopen, Innerlijk, en uyterlijk: Al die (vurig) na hem lopen Om te erven 't Koning-rijk. d' Aarde, dekt de duysternisse: Mits de Sonne sich ver-schuyld: Om te lichten, ons Gewisse: Die haar wesen thans ver-ruyld.

Siet: de Sonne moet verdwijnen: Nu sy 't eyndelose-Licht, En haar Schepper, dus siet quijnen: Met een droevig angesicht: Siet: den Hemel schijnt te treuren, En bekleed sich: in het swart. Ja de Rotsen moeten scheuren, Nu de Menschen zijn Verhard.

d' Aarde (die noyt word bewogen) Siet: ont-set sich, en-se beefd: Nu den Mensche geen Medogen Met sijn Salig-maker heeft. Ia 't Voor-hangsel van den Tempel Scheurd, van boven, tot beneên: En ont-bloot den hoogsten-Drempel: Die Gods kinderen betreên.

Siet: veel Doden (uyt haar graven) Tonen, dat der Heeren-Heer, Word van d' alder-minste Slaven, Dus ver-treden: even seer. Tonen, dat de Graven waren In Slaap-kamers, omgekeerd: Dat-se ons niet meer ver-varen: Mits het Christus heeft geweerd.

1 Reg. 8. 27.Die noyt plaatse kan bevatten, Sluyt men in een duyster-graf: Als het waardste aller schatten, Dat ons God, den Vader gaf. Maar hy is weer-om ver-resen, En hy leefd: ook wie het roud: 't Leven sou niet kunnen wesen Daar de Dood haar woon-stee houd.

't Most geschieden: 't was te voren Af-gebeeld, en voor-geseyd: En Gods schrikkelijke-toren (Op den mensch) was neêr-geleyd. 't Most geschieden: mits sijn lijden Ander-sins was sonder kracht: En wy souden t'een'gen tijden, Uyt het graf niet zijn gebracht.

Die de Dood, en Pest der Hellen, Die den Duyvel heeft ver-nield: Most sich als ver-winnaar stellen, Mits den vyand was ont-zield. Die sijn vyand heeft verwonnen, Heeft sijn heer-lijkheyt een glans, (Voor hem, en sijn volk) begonnen. Dit doet onsen Koning thans.

Komt dan, Christi ware-Leden Siet u hoofd: benaud, en bang: Om de harssens te vertreden, Van de oude-bose-Slang. Gen. 3. 15.Om u sonde most hy sterven, Mits hy Borge voor u bleef: Om te scheuren, om te kerven 't Hand-schrift, dat u tegen-schreef.

Over-denkt hier u Ellende: En Gods Liefde, tot de geen Dien hy (voor de Wereld) kende: En sijn Soon haar sond benéên. Wild (met hem) u lichaam doden, Om met hem, weêr op te staan: So sult ghy de blinde-Joden (In u self) te boven gaan.

Iacob Steendam. Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove