Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

En klachte, op 't Huwelijk van Ioannis Gerritsz, en Edel Ians. Hulk. Stemme: Van Helena.

1 SIet hoe het blinde-Wicht, Dit Edel-Roosje sleurd: Siet hoe hy (door sijn schicht) Haar schone kleding scheurd: Mijn droeve-ziel, betreurd Sijn grote dartelheden: Maar yder heeft sijn beurt, Gevolgelijke reden,

1 Mijn adelijk-gemoet En lijd geen sotterny, Ik trede met de voet Het laf', en mal' gevry: Ik voeg daar reden by, En prijs' de suyv're-kuysheyt. De herberg is voor my Daar deugd, en eer, in t' huys leyd.

3 Wanneer ik (in de nacht) Ben vaardig toe-gemaakt, En bésich met de jacht, Noyt heeft hy my geraakt: Want een, die snédig waakt. En sal geen dief ver-rassen: Maar die het harte blaakt, En kan niet anders passen.

4 Geen menschelijk-gesicht Mijn kuysse lichaam duld: Sy treden buyten plicht. En vallen in de schuld, Haar straffe wort vervuld, Actéon zy het voorspel: Noch blijft het Wicht gehuld, Schoon ik hem geen gehoor stel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.