Op 't gewenscht Besoeken (van den Edelen, Manhaften-Heer: De Heer Iacob Rvychaver: Directeur Generaal in Guinea, wegens de Nederlandsche Geoctroieerde West-Indische Compagnie: Met de Heer Anthony Floraan, Advocaat-Viscaal, En d' Eerwaardige Meynerd Hendrikz, Predicant op 't Kasteel Mina:) in 't Schip de Goude-Ree, tegenwoordig voor Delmina Den 9 van Loymaand, in 't Jaar Christi 1642.
DE Goden in Guinae hand-havers van de Rechten, Den aller Goden-God sijn ware, trouwe-Knechten: Verseld (in achtbaarheyt) met d'alder Kuyste-maagd, Die in haar handen 't Swaard, en ook een Waag-Schaal draagd: En effend 't ongelijk als Godes-Dienaresse, Na reden-kaveling der twé-gedeelde lesse. Van 't vrome-volk geliefd, ge-eerd, met Hart, en Geest: Van 't woedend'-ongediert begrimd, gehaat, gevreesd. Dit by-zijn (in 't verschiet) der Goden Hémel-luyster Ontvliegt een Sonne-straal, in 't nevelachtig-duyster: Der Rotsen Rotsen-borg (beswangerd) loeyd, en baard (In Arbeyd) dese sleep: en schijnt door rou beswaard:
Een schreeuw-galm Cham ontslipt, die bastaard woorde kaveld 'tReviertje bied haar schoot: de Barning slaakt 't geraveld Den Noordsen-Dollephijn (beballast) met dees' vracht Al-danssende (van vreugd) haar hier te brengen tracht: Als of hy Arion so lieflijk hoorde quélen, En hem sijn rugge bood door graagte tot het spélen: De Winden swieren mé van blijdschap om, end' om: De Klipjes buygen 't hoofd, en roepen Welle-kom: De Golfjes huppelen: de kloeke-Schepen springen: Voor al de Goude-Ree: want selfs de Nimphjes singen, Den Dollephijn die yld en naakt 't Schip Deventer: De Ree (vol yver-sugt) an-siet sijn leed, van ver'. Wat, Reden, Redenborg sult gy hem dat benijden? Die self der Helden-Held hebt 't leste-leed doen lijden: Wat antwoord geeft gy my, ver-aarde-Goude-Ree? Ik derf het Rovers-bosch en wandel recht door Zee. Dat's waarheyd Redenborg: de naam, geen daad verloren: Geen naam, van Redenborg, maar wel de daad verkoren: Verloren is de naam, de daad gy blijken doet. Dies als de Reden spreekt haar vyand swijgen moet. U Nabuur sich beweegd: 'k sie weêr de Goden dalen Tot in het driftig-vlot: 't geen braakt vergode-stralen. Daar bulderd het Metaal, met dreunende-geluyd: Nu Ree ontfangt dees' Rey, en reykt u Armen uyt. De blijdschap sluyt u 't Hart, dies laat gy haar te groeten, Ik sal (uyt uwen naam) haar groetende ontmoeten. Dewijl (gezegend-Volk) gy heden ons ver-eerd Door 't by-zijn, 't geen men heeft op 't hoogst van u begeerd: So houd gy ons verplicht u eere te bewijsen, En u vernedering (tot onsen roem) te prijsen. An-vaard doch Reden-Borg sijn gul, en open-hart, Het geen (tot dankbaarheyt) u heel geschonken ward: Want alles watter is, dat heet u allen wel-kom, Of 't uyt gelaten was: so gaat het vrolijk-spel om.
U zy Geluk, en Heyl, (tot welkomst) is mijn wensch, Gods-zegen in u Huys, 't welvaren van den mensch: Die wil u met dien dau genadelijk bedrup'len, Die laat u harten t' saam van vreugd, en blijdschap hup'len: Dat sich 't Gerucht versprey uyt 't Goud-rijk Africa, Tot in ons Vaderland, 't Volkrijk Batavia: Gods Wijsheyt blijf u by tot lust uws ondersaten, Sijn kloekheyt wil u noyt (in strijd) verwonnen laten, Sijn woord, en waarheyt, zy een ligt voor uwen Voet: Dus sult gy Wel-kom zijn, uyt reyne liefde soet.
Noch vaster.
Cookies on Poetry Cove