Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Over de troostelijke sending des Heyligen Geestes, in de Apostelen; binnen Jerusalem. Op den Pingster of Vijftigste. Stem: Van den 105 Psalm: Een yder moet tot desen tijden.

1. WAt Heerlijkheyt siet men hier dalen? Wat held're-Glans, en Goude-Stralen, Ver-vuld het huys van 's Heeren volk? Het is des Hemels blijde-Tolk: Het is de Duyf de reyne-Geest, Die Christi Doop is by geweest.

2. Dees' Wind, dees' blas, en lieflijk-Suysen Beweegd dit huys: geen and're huysen. Gedeelde-Tongen, en van Vuur Die leerden (kostelijk, en duur) Der Ioden, en der Heyden tong: Die God een nuwe Lof-sang song.

3. Wiens Geest (die 't steenen-hart kan breken) Haar doet ver-scheyden talen spreken: 't Geen 't binnenst huyst, dat galmd de mond: Die straft, en troost, die quetst, en wond. Wat blijde-stem (vol vriend'lijkheyt) Uyt' hier de Geest, in 't geen hy seyd:

4. Hier vlieten (roept hy) levens-stromen: Dies wild (ô Mensch) tot Syon komen. Daar worden Gaven uyt-gedeeld: Daar word 't verbroken-hart geheeld: Daar is der zielen hoogste-heyl, Voor alle Arme-sondaars veyl.

5. Komt: wild dees' soeten-Wijn genieten: Daar Melk, en Honich-stromen vlieten, In Juda zijn de Beeken al Vervuld met Water, in het dal: Van 's Heeren huys ontspringt een bron, Die Sittum wel bevochten kon.

6. Wat sal dees' suyvre-Vloed beschikken? Die sal het dorstig-hart verquikken. So sal het dorre vochtig zijn: En het benaude, vry van pijn. ô! Zien versmacht, en vol verdriet, Lescht uwen dorst: het is om niet.

7. Wat sal den Wind die sy gevoelen? Die sal 't be-angst gemoed verkoelen. Wat sal diens snelle-vaardigheyt? Die heeft een nuw-geboort' bereyd. Wat sal dit Vuur en dese glans? Het koude-rif verwarmen, thans.

8. 't Sal ook de wrevelheyt verteeren, En alle tegen-sprekers-keeren. Elks tonge voor dees' Tonge swijgt,

Waar door men d' hoogste-zegen krijgt: ô! Mensche luysterd, wat ik seg: Dees' Tong wijst u des levens-Weg:

9. En 't ware-Feest van d' eerste-Vruchten, In schau van wet: diens hoorders vluchten: De dagen waren vijf-maal thien, Daar 't Heyl (in Heyl) heeft op-gesien: Daar 's Donders-stemme, en Basuyn Begalmd des Bergs bedoven-kruyn.

10. Op Sina Weird de Wet ver-kondigd, Op Syon word den Mensch ont-sondigd: Op Sina wierd 't gemoed verschrikt, Op Syon word de ziel verquikt: Op Sina was vuur, rook, en damp, Op Syon derfd men alle ramp.

11. 't Ver-nuft (ver-baasd) dat acht dit wonder, (Hier mengd sich hoop, en vrese onder) Dat dese menschen (niet geacht) Gedreven door een groote kracht, Ver-konden 't Goddelijk ver-bond: Dat God, in Christum heeft gegrond.

12. Drie-eenig-God, ver-wekt so, Abel In ons: ont-ward 't ver-warde-Babel: Daar weird gedeeld dit eenig-lid, Waar op het slimst, en 't beste sit. Hier zijn de tijden af-gepaald, Daar dit gedeelde neder-daald.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove