Over 't smadelijk-Lijden,'t pynlijk-Sterven, verachtelijk-Begraven, en heerlijke-ver-risenisse onses Heeren Jesu Christi. Stem: De Goud-geveste daken.
1. DEn Hemel schijnd te hup'len, En laat (van blijdschap) drup'len
Een gegunde-Regen: Tot een milde-Zegen. Lage, hoge-drift, Boven dese Gift: In de ziel gegrift: Daar door 't gepereld, 't Wit van de Wereld, ('t Geen hier voor dwereld) Word gesift.
2. Kan d' Opper-Hoogheyt dalen? Kan yemand, God af-malen, In een hoog, of laagheyt? In een gauw, of traagheyt? Die in 't minste-ding Geen verandering, (Eygentlijk) beving: Die d'al verheffing, Die d'al beseffing, Die d' al betreffing Noyt ont-ging.
3. Nochtans is Hy vernederd, Als een quaad-doender: 't çederd 't On-rechtvaardig oordeel. Tot ons aller voordeel, Is hy Mensch, en God (Tegen Gods gebod) Haar geweest ten spot: Dien sy verdoemen. In wien wy roemen: En seker noemen Zebaoth.
4. In bange angst der zielen, Psa. 22.De Honden bits vernielen Syn gestaltenisse: Hy, die haar gewisse Prikkeld: door de wraak. Want in dese saak Openbaard de spraak, Tot God gedreven: Wild 't hen vergeven. Is so gebleven Onse Baak.
5. Siet: d'alder levens Oor-sprong, (Die dit haar in 't gehoor drong) Buygd sijn hoofd: te sterven, Om de dood te erven. Dood u wreedheyd, groot, Heefd dien Held gedood, Die ons 't leven bood: Die u (als roede) Steld tot een hoede, Voor die sijn goede Raad genoot.
6. Dit dwingt mijn ziel tot droefheyd: Die (droef, tot haar behoef) seyd Mijn gemoed is droevig: Droefheyt noch behoevig: Die ik (droevig) soek. Merkt ô kloekaards, kloek: Heden is de vloek (Die u verbolgen,
Tracht te vervolgen) Krachtig verswolgen: Vloekings-boek.
7. Watvloek ontmand den Wreker? Der rechten vonnis-spreker Sal niemand verschonen: Maar (recht-vaardig) tonen Sijn gerechtigheyt. Die dit woord ons seyd: En de wraak bereyd. Dies wy nu derven 't Slavelijk-swerven: 't Leven verwerven, Met bescheyd.
8. Hier schuyld een diepe treffing: Hier leyd al 's Duyvels keffing, Tot een stof, en mortel: Door des Wysheyds-Wortel. Hier leyd Dood, en Hel, 't Spokig-Goochchel-spel, (Eeuwig) in gequel. Hier is den drijver Krachtig, in yver: Hier roemd den schrijver, Immer wel.
9. De Aard', des Lichaams-moeder Ontfangt der Zielen-Hoeder: Die sich nergens buyten Ook en laat besluyten, Sluyt men in een Graf:
Die ons sond, en straf Heeft genomen af: Door d' over-vloed-heyt Van sijne goed-heyt. Die mijn gemoed vleyd: Mits hy 't gaf.
10. Den Gever aller gaven Die laat sich dus begraven: Maakt sijn dood ons seker: Drinkend' uyt den beker Van Gods toorn: die elk Troffe: voor dees' kelk Schenkt hy ons de melk Van sijn genaden, Van sijn wel-daden. Die wy noyt baden Geeft ons; 't Welk
11. Ons sal doen sien, en merken Gods wonderlijke-werken. 't Lijk is op-ge-heven: Doden siet-men leven: 't Duyst're droevig-dal, Bitter, en vol gal Gaf den grooten Al. Krijg is begonnen: Strijders verwonnen. 't Lichaam der Sonnen Stut den val.
12. De God-vergode Eng'len Hem eeren, kransen streng'len:
Dat is 't eeuwig loven: Lokken ons na boven, Uyt 't verganklijk-slijk. Want dit Levend-lijk Sal in yder wijk, 't Sijne verwekken: Uyt d' aardsche-drekken: En op-waards trekken, In sijn Rijk.
Cookies on Poetry Cove