Op het Bruydlofs-Feest van Vincent Adriaansz. Roskam,
En Maria Rodrigo.
Stemme: De still' eensame, &c.
1
WAt was het leven van den mensch
(Ten nausten onder-socht)
So men des levens hoochste wensch
Hier niet genieten mocht?
Een stage moeyte, sonder rust:
Een arbeyd, sonder loon:
Een grote graagte, ongeblust:
Een strijden, sonder kroon.
2
Dit heeft versind, het Lieve-paar,
Dat heden is ver-eend,
Die God haar wensching heeft te gaar,
(So wenschelijk) verleend:
Dies laat ons t'samen vrolijk zijn,
Op haar gewenschte-Feest:
Dat alle droefheyt (door de wijn)
Verhuyse, uyt den Geest.
3
Doch yder hou (ook in de vreugd)
De rechte Middelmaat:
De krone van de ware-deugd:
Na Amt, en Plicht, en Staat:
't Is Prijs'lijk, dat men na den tijd,
En plaats sich voegen kan:
Die met den blijden is verblijd,
Dat is een deftig, Man.
4
Laat ons dan juychchen overluyd,
En singen, dat het klinkt:
Nu dat Maria is de Bruyd,
En in haar çieraad blinkt.
Op dat het vliegende-gerucht
Ons Wedergalm verleng:
(Die met dees tijding is bevrugt,)
En in Europa breng.
Jacob Steendam.
Noch vaster.