Luc. 2. 14.
Stem: Loovet den Heere, loovet den Heere.
1.
U Zy de eere
Alleen ô! Heere:
ô Opper-Koning,
In uwe woning:
d' Alder hoogste-stede:
Die u genade toond
(Na uwen Ede)
An den mensch benede:
Die gy met heyl bekroond,
En schenkt u vrede:
2.
U vreed' op Aarden:
Die sy an-vaarden,
In haar verstanden:
En in-gewanden.
Neffens uwen zegen:
Door desen Vrede-Vorst,
En Held verkregen,
Als een dau, een Regen:
Om die der zielen-dorst
Te stellen tegen.
3.
So zy de menschen
Een billijk wenschen:
Een wel-behagen
In dese dagen:
Op dat sy u loven.
Die haar (als in de dood
Van u verschoven)
Nu verlost van boven.
En so (als in u schoot)
Bewaard voor 't roven.