In yver tot God gesongen, over 't In-nemen van 't Fort Axem, den 9 van Sprokel-Maand 1642. Stemme: Van den 78 Psalm: O mijn volk wild mijn leering, &c.
1 IK Dicht een Lied, en heffe an te singen: En kan van vreugd my selven niet bedwingen: Mijn swang' re-ziel die vaardigd my tot Rijmen: Den Arbeyd naakt, en baard een blijden-Hijmen, Dien sy haar Schepper tot een Offer bied: Op wien sy steeds: en op geen ander siet.
2 De Heere heeft sijn hulp ons an-geboden: Ons Vyand is veld-vluchtig wech gevloden. Sijn's Donders-stem, en Weerlichts schielijk-blikken, Kon 't wrede-hart (met grote vrees') verschrikken: De haren rijsen, 't Rif ziel-angstig beefd': De Aarde dreunde, 't sitterde wat leefd'.
3 't Verbastaard-volk, (de Kudde Gods verdrietig) Verstroyd de Heer, en maakt het hier seer nietig: En sterkt ons handen, leerd ons vuysten strijden. Sijn hulp is ons verschénen in dees' tijden, Als wy (gerechtig) bestreden de macht Des Spanjaards: ons dood-vyand, ons verdacht.
4 Die heeft gesocht een Monarchy te krygen, 't Scheen al de Wereld moste voor hem swijgen: Den Draak tot heul, sijn stoel daar op te rechten, Om 's Heeren Heir (moed-willig) te bevechten: Den Wind van staat-sucht, blies 't vervloekte-schuym, Als bobbels, door al 's Werelds Ronde-ruym.
5 Door 't volk dat sy eerst schénen te verswelgen, Laat God haar macht nu over al verdelgen: De Wrake-Gods en laat sich nimmer tergen. Wie kan sich voor 't al-siende-oog verbergen? Hy wekt de Kind'ren tot der Vaad'ren wraak, 't On-nosel bloed vervorderd dese saak.
6 ô! Nederland, wie sal u niet gedenken? Wat geest en sal u sijn Vaarsen schenken? ô! Wrede-moord van so veel Duysend zielen, Wiens Romp den Bloed-hond-Alba, liet vernielen: Die selfs het schepsel (zijnde on-gebaard) In 's Móeders lichaam niet en heeft gespaard.
7 Wiens doden-asch (noch wassend' in de Kind'ren) Kan dus de Run haar's wrede-moorders hind'ren, En so de Doornen van prikkels besnoeyen: Op dat Gods-Kerk nach als een Lely bloeyen: Door d' eerstelingen, van het heylig saad, Dat (verménigd) daar in verheerlijkt staat.
8 Beneven dat ons God veel van haar sterkten Gegeven heeft, (waar in hy krachtig werkten) Gaf hy ons heden (so het hem geluste) Een vastigheyt, op d' Africaanse-Kuste: Het Swaard geklonken in haar vuystens-klem, Ontsinkt haar: en sy vluchten van Axem.
9 Ons sméken is vooor d'oren Gods gekomen, Ons yver-sucht heeft hy wel waar-genomen, 't Onkuyse-Rot, hy voor ons volk verjaagde: Wiens an-komst haar veschrikte en ver-tsaagde, Want siet God daalde, en bood ons de hand: Van sijn hulpe waagden het gansche Land.
10 D' Aarde, siet: beefde, als hy d' Hémel neygde, En sijn Vyanden met de roede dreygde: Der Bergen grond-vest, en de hoge ced'ren, Beweegden sich: wanneer hy op de ved'ren Des Winds de Wolken deelde: door sijn glans: En verstroyde ons tegen-strijders gans.
11 Daarom (ô! God) sal ik u name roemen: En u (met hart, en mond, en sinnen) noemen Mijn God, mijn Heer, mijn Heyl, mijn Troost, en Leven, Mijn Schild, mijn Burgt: daar in wy zijn, en sweven: Mijn Rots, en toe-vlucht, mijn Heyland, en hoofd, Mijn beschemer, zijt sonder eynd' geloofd.
12 Hoe sal ik (Heer) u weldaad doch vergelden? Ik sal u lof an al de wereld melden, Ik sal u prijsen, uyt een groten yver. In uwe wegen zijn een stage-blijver. Ik sal met reden, rijm, in maat gelijk: U Heer loven, door lieffelijk Musijk.
Jacob Steendam.
Noch vaster.
Cookies on Poetry Cove