Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Gy Harder Israëls wilt hooren.

1 O God voor wien wy neder knielen, Wild doch deef' twee ver-eende zielen Bestralen met u goedheyts-glans: Toond haar u gonst, u liefde thans: Zijt heden met haar, in 't begin. Vermeerd haar liefde, door de Min.

2 Wild deugd, en wijsheyt, t'samen huwen In haar: dat sy het quade schuwen, Dat 's lichaams-lust so ver' noyt strekt Dat oyt de ziele word bevlekt: Dat ook dit paar geen sonde doet, Of vallen u weêr strak te voet.

3 Dit is den aart van uwe Kinder, Wiens sonde (somtijts) is niet minder Als van een boos, een Godloos-mensch: Die sondigd na sijn's harten wensch: Ja graagte heeft in 't quaatste feyt: Maar dese struyk'len uyt swakheyt.

4 Sy zijn in 's Levens-boek getékend. Het quaat word haar niet toe-gerékend Of 't vlees schoon door den Duyvel (wreed) En werelds-lokkingh, over-treed U Wet: so wind nochtans de geest: Want sy haar God, haar Schepper vreesd.

5 Haar harts-berouw doet d' ogen schreyen: De mond om weêr-vergéving-vleyen: De handen grijpen 't goede an: De voeten yv'ren (na men kan) Te gaan den wech die gy gebied: Daar haar genade door geschied.

6 Geeft dan dat sy in al haar werken Alleen (ô! God) u wil an-merken, Betrachten, 't geen gy haar beveeld: Dat 's Werelds rijkdom, schijn van weeld'. Haar noyt belet u eys te doen: Maar dat sy steeds daar na sich spoên.

7 Het heyl komt nu 't geluk ontbloten: 't Gewenschte, ook de vreugd vergroten: Den Hemel singt, de Aarde juygd: Een milde-hand sich t'uwaarts buygd, Ver-énigd-Paar, de kuysheyt voed. Blijft t'saam in reyne liefde soet.

Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.