Op de (gelukkige) Overwinning, der sterke Stad Breda: door sijn Hoogheyd: den Doorluchtigsten, Hoog-Geboren Vorst, en Dapperen-Held, Frederik Henderik: Prince van Orangien: Grave van Nassau, &c. In 't Jaar Christi 1637. Stemme: 's Hartogen Bos, gy Stad, &c.
1 THans (van blijdschap uyt-gelaten) Juygd een yder over-luyd: En vervuld het Land met praten, Van dees nu-getrouwde Bruyd: Wiens Vryheyd heeft begonnen Wanneer sy wierd verwonnen. Ik meen Breda: Nu volgd haar na Een heldre-glans der Sonnen.
2 Laat ons dan (ter-zege) branden, Haald Pek-tonnen by-malkaar, Suyker-kisten, Turruf-manden: Want 't is 't eerste van dit Jaar Dat onsen Prins (kloekmoedig) Gewonnen heeft (voor-spoedig) Al-sulken Stad. Noyt af-gemat Door Gods Hand: immer goedig.
3 Haald ons hier een Glas, een Béker. Schenkt het vol van 't beste Nat: Want ik seg' het u voor-séker, Dat daar meer is in het Vat: Siet hier mijn Eed le-Baasje, Wat dunkt u van het Aasje: Is 't niet een lust Als men (gerust) Mach drinken sulken Glaasje?
4 Nu Vrou-Ceres is vertrokken Van Breda, na Rotterdam, Om de Brouwers heen te lokken Daar de Maagd Bellone, quam Met Fredrik in de Lang-straat: Daar 't Beest bedrukt, en bang' staat, Om dat dees' Vorst Na Vrijheyt dorst: En met hem sulken gang gaat.
5 Dit most Ferdinand' an-kijken, Doch met Ogen Scheel, en Schuyn, Als ons Prince dus ging strijken Met de sleutel van de Tuyn: Dit kon den Mossel-Eter Niet knopen sonder Véter: Het was te kort, Wat of hem schort? Hy roept an Sinte-Péter.
6 By Sunt-Peter, ook Sunt-Jacob, Wrede-Spekken u Patroon: Yder roept hem (droevig) waak op, Helper van de Spaansche-Kroon, Siet doch eens op de Ketters, Die 's Pausen schrift, en letters Verwerpen heel: En achten veel Gods-woords, en waarheyds-setters.
7 ô! Sunt Jacob met u Schelpen, Met u Kit, en Hasel-stok, Wild ons arme-Schoyers helpen, In dees' Kap, en Grauwe-Rock: De Nikker, en Sunt-Felten Die ryen hier op Stelten: Ey helpt ons doch, Eer dat wy noch In 't Siltig-vocht versmelten.
8 Papen, Munken, Iesuyten, (Stokers in het Vagevuur) Wild (als Maag're-Verkens) krijten, An het Beest, in Babels-Muur Met seven Konings-Hoofden: Die ons van 't Licht beroofden, En wierp het Volk In d' Afgronds-kolk, Die sijnen waan geloofden.
9 Maar gy kloeke-Batavieren 's Lands-beminders, trou, en vroom: Wild ons Prins het Hoofd Laurieren: Die Spek-Ian (als met een toom) So machtig kon bedwingen: En door haar Poorten dringen: Die (als een Held) Het Spaans-geweld Dus schielijk quam om-ringen.
10 Oorlof gy Gereformeerden, Die de Naam hebt, en de Daad: In wien dat den Heer verkeerden Vreemden-dienst, vol eygen-baat: En veel waan-wijse dromen, Die u den Paus te Romen Had in-geplant, Door 's Vyands Hand: Wiens macht dus word benomen.
Cookies on Poetry Cove