An den snel-geoeffende, en wel-geslepene Rijmer:
Lodewyk Willemsz. Masman.
WAar in bestaat de Konst van Rijmen, en van Dichten?
Waar in bestaat het Rijm dat Leeren sal, en Stichten?
Waar in bestaat de Reên, en redens-Reed lijkheyt?
Waar in bestaat 't Gedicht dat Naam, en Faam, verbreyd?
Waar in bestaat het geen men niet en Leerd in Scholen?
Waar in bestaat 't Vernuft dat in geen Rijm kan Dolen?
Waar in bestaat het werk dat (sottens) Laster lijd?
Waar in bestaat de Daad die tegen Dwaasheyt Strijd?
Waar in bestaat de Moeyt' daar narren meest mé Spotten?
Waar in bestaat d'uyd-spraak van 't Oordeel, aller Sotten?
Waar in bestaat de Naam een's Christelijk-Poëet?
An wien word al het Werk des Rijmers best Besteed?
Segt Masman? dubbeld-Man: ô! Man, roem aller Mannen.
Wild kennis wetenschap, met wijsheyt t' samen spannen:
En (door de reden-konst) verklaren, my het geen
Ik letterlijk, (voor elk) versoek van u alleen.
GY die (met een gevlerkte-geest)
Weetgierig, snuffeld, en door-leest
't Geheym des Werelds: seer scherp-sinnig.
So 't u beliefd, het staat u vry.
Verwacht (daar na) den sin van my:
Uyt liefd': want liefde is an-minnig.
Jacob Steendam.
Noch vaster.