Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Op de Bruydlof van Ioannes Gerritsz: en Edel Ians Hull: an de jeugdige-maagden.

HOord speelnoodjes, Soete-meysjes, Ionge-lootjes, Let een reysjes Op het geen ik seggen sal: Dat ons Bruydje (In dit Trouwen) 't Maagden kruydje Sal behouwen: 't Suyvre-deeldje over-al,

Sal vermeren, Sal vergroten.

Sal (met eren) Doch ontbloten, 't Geen dat eertijds was bevreesd: Voor de kusjes, Voor de soentjes, Die de lusjes Voeden, groentjes: En beroeren so den geest.

Want de twede Maagdom, (eerlijk) Acht men (mede) Hoog, en heerlijk: 'k Meen den Huwelijken-Staat: Die de zielen So verplichten, Dat geen hielen Sy verlichten, Sonder 't derven van haar maat.

Daarom Diertjes, Volgd haar stappen, (Met u swiertjes) Op Mins trappen, Als Cupido u eens treft, Met een flitsje, Van sijn boogje: Knoopt het lits je, Trekt geen oogje Van de geên, die 't hart verheft,

Lustig vrijsters, Soete-Beeldjes, Singt, als lijsters

Met u keeldjes, Dat Enchuysen daar van waagd: Nu men heden Op dees' Bruyd'lof, Sal ontkleden 't Eêlste Kruyd-hof Dat het gansch Europá draagd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove