Gepast op het twede Gedicht van den redenlievende Jongman
Joannes Foullon.
Foullon, de Son (met bléke-stralen)
Wel kon op Bron, en béke dalen:
Mits vocht, en tocht sijn meerder teeld.
Dus docht ik, mocht ik teerder beeld
(Vol Heyl) so steyl, van boven neder
(In peyl) my veyl beloven weder:
Dewijl ik yl te merken, dit
U stijl: ik vijl mijn vlerken wit,
Ontlijfd, verstijfd, en sonder krachten:
Gy schrijft, en blijft een wonder t' achten:
Dit blijkt: ey strijkt het oordeel recht:
Bekijkt, gelijkt het voordeel: segt?
In 't kort: ik stort hier regen-water:
My schort een bort des tegen-prater:
Om 't licht, 't gesicht te beelden of,
Uw's Dicht, 't geen sticht, en teelden lof.
Noch vaster.