Voor God: en den troon sijner genade. Stem: Ach wi eyn un-aussprichliche pein.
1. SUcht bange hart Om uwe sonden, So rood als bloed, En sonder tal: An-doet u smart, En wild u wonden Met ware-boet: Van uwe val. Schiet ogen snel Een siltig-nat: Als uyt een wel, En droefheyts vat. Verdrijft 't gequel Door schreyen wat.
2. Mijn hoofd, ontsluyt Twee wijde-kranen: Laat vlieten, staag, En hoosd een vloed (U vensters uyt) Van heete tranen: Gelijk een vlaag In mijn gemoet: Stroomd neer, ô! vocht, En maakt een beek: Vergun, u tocht Mijn wangen (Bleek) Wiens blos u socht, En voor u week.
3. Ach dat ik kon Tot water worden, Dun, schoon, en klaar, Gelijk kristal: En (als een bron) My snellijk porden, Te rennen naar Het laagste-dal. So dat (gedwee, En met ootmoed) Mijn (vochte) bee, An Jesu voet, Verwurf, hier mee Het hoogste goed.
4. Ik smelt, en swem, En sink in rouwe: Mits Ik beken' Mijn boosheyt: snood. Ik hef mijn stem (Heer, in 't benouwe) Tot u: en ben In grote nood. Ik huyl, ick schrey, Ik nuk, en steen: Ik smeek, en vley: U hulp alleen, Ik dus verbey: En anders geen.
5. Ik heb u wet En wil geweten, Diens billijkheyt Ook toe gestaan: Ik heb 't geset van u, vergeten: Ik ben verleyd Door sotte-waan. Ik ben niet waart De naam van knecht, Veel min (in aart) U soon: na 't recht 't Geen my beswaard: Dies sta ik slecht.
6. Maar gy wild Heer U doch Erbarmen Thans over my: Want 't is my leed. So blinkt u eer, In het ontfarmen: Wanneer als gy Het quaad vergeet.
Mijn ziele wacht Staag, op u woord, Van d' eene nacht Tot d' ander, voort: Daarom mijn klacht ô! God verhoord.
7. Om Christi dood, En bit're lijden, 't On-noos'le Lam, Dood'lijk gewond': Die ons an-bood (Hier door) 't verblijden, En op hem nam Des werelds sond'. Want gy begeert Geen sondaars val, Die sich bekeerd: (In 't tranen-dal) U Lof vermeerd Steeds, over-al.
Cookies on Poetry Cove