Skip to content
1649

Den distelvink

Jacob Steendam

Na-roepende den geestrijken Jongman Joannes Foullon.

EEn ruymen tijd geleen, den Weer-galm die her-haalde Het heugelijkst geheym, 't geen haar een vriend vertaalde:Sang-heldin. Den schonen Iongeling die song so nu en dan, De Nimphe riep hem na, so goed sy immer kan.

Hy is den redenaar on-machtig na te treden: Die gans geen sprake heeft, veel min begaafd met reden. Dyana boog haar hoofd voor 't glinst'ren van de Son, Op voor-gestelde reên den Weer-galm dus begon. Weer-galm.Door 't eeuwig-durend' woord wy leven, en wel sterven. Ziels-heyl is d' hoogste-wensch die wy van God be-erven. 't Geloof, met liefd verseld is 's menschen ziels-çieraad. Gods-zegen beurd, en heft den mensch ten hogen-staat. Door onverdiende-gonst mind hem den God der Goden. Diens liefde doet hem ook steeds leven by de doden. Een goed gerugt is 't best, hy laat by Testament. Gods gonstig an-schijn baard hem vreugde, sonder end. Sijn eygen werk maakt hem onsterflijk, by de wijsen. De narren hebben van sijn wijsheyt een af-grijsen. Het ware Vrouwen-saad hem Saligmaken sal. ('t Geloof in hem alleen) sijn liefde is het al. Dees' ware deugd op d'Aard kan so den mensch ver-aarden: 't Veel waarde-Goud, en Steen is drek (hier by) in waarden: En Sarons Schone-bloem voortreft den Lauwer-krans. Een Gouden-Leydstar is de, deugde in de mans. Dees' Krone boven Kroon behuld u harssens-solder. Foullon mijn waarde-vriend gy zijt in gaven Volder Als oyt een evenaar: wiens werking (niet te spa) U maakt in reden rijk, en Dialectica. Foullon mijn twede ik: ja ik beklaag (met reden) Dat ik u by-zijn mis: noch op den dach van heden. Van dat my u persoon ontsweefde voor Axem, Mijn blijdschap die verdweên, gelijk een 's menschen stem: U reden-kaveling kon my tot reên anhissen: Elk dach schijnt my een Jaar nu ik u reên moet missen: Moet derven 't geen ik wensch, en hartelijk begeer, Dat 's weet van waan en weet gegrond-vest op Gods-leer. 'k Heb d' Enigheyt Getroud, Geselligheyt verschoven Dit let' my (waarde vriend) u waarde recht te loven.

't Geselschap, (niet geseld) ontrukt my het begrijp: En hinderd my den lof van uwe sinnen rijp: 't Geheug van uwe naam (ô! soet gestijlde-Rijmer) Doet dat ik (in 't gedacht als op-getogen) mijmer: 't Verlangen, na een vriend doet dat men niet en ken: 't Is wonder, dat my doet verwond ren van u pen. U rijmpjes vol geheym, gaan self 't vernust te boven: Dit is by u een schat die ook geen Dief kan roven. Gelukkig zijt gy dan die sulken hogen Lot (Beneffens 't Aardsch) geniet van d alder Goden God. Wie sal u vlugge-geest, u nette-pen niet achten? Wie sal niet grote vrugt (met blijdschap) daar van wachten? Want 't bondig vloeyend'-rijm in redens hoogste-leer Baard stichting in den mensch: dit werkt der Heren Heer. In 't schrijven over treft gy and'ren, in den wandel, Getrouw in uwen dienst, en naarstig in den handel. De minste zijt gy niet die vloeyend steld u schrift: Verseld met sulken stijl die waan van weten sift: Waar in (als ook in 't Rijm) gy hebt de weet van 't Dichten. Bequaamheyt seer bequaam om and're t' onder-richten. U deugdelijken aart myn vry gemoed beleed: En twijffeld an geen ding wiens waarheyt dat men weet: Mits gy (hier door vermaard) doet and're kaken blosen. Mijn gonst (op reên gegrond) sal noyt hier in verposen. Mijn roem geeft waarheyt stijl, in 't uyten van u deugd, My ken'lijk door 't gedacht, 't versellen dat my heugd. Dit hoor ik (door de Faam) roem-ruchtig immer blasen: Die kan met haar geluyd my in t vernuft verbasen, Bedwelmen het verstand, dat al te langen tijd In 't af-sijn van mijn vriend al treurende verslijt: 't Wijl gy met d' Africaan houd bésig uwe sinnen: Door wien ik nau iet goeds, of boudigs kan beginnen Tot uwer eer mijn vriend: mits dat my lastig viel Een Momus die my volgd gedurig op de hiel.

Den twee-getaschten-Soyl verhinderd my 't verkloeken: Hy vonnist, en berispt verkeerd elks reên, en boeken: Door hem my tijd, en plaats, ja alle ding ontbreekt: Verwachtende met lust het Reetje wel bepeekt. Wiens ankomst dat my sal verblijden, en verbasen: So 't niet in 't kreupel-bos sich selven poogd te grasen: En in 't gestruykt verward sijn voeten snel en rat: Maar op de heyr-baan komt sijn's veel gebaande pat. My dunkt ik hoor 't gesang van duysenden Meerminnen: Sijn galpen (onder des) verheugd des hoorders sinnen. Ey luysterd na 't geneur, 't gaat lieffelijk, en hel. Door reyne liefde soet ik 't oog op 't eynde stel.

STEMME: Phoebus die is lang, &c.

1 Goude-Ree:D'Opperste die het hier alles gebied, Schepper, en heerscher der grond-diepe-scharen, Speel ik een Lietje, tot lof op mijn ried: Die my geleyd door de swalpende baren. Gollefjes die my dikwijls bespied, Offerd het oge (dat alles an-siet) U harte: geveynsdigheyt vlied.

2 Vorderd u Reetje geswin in den aart: Leend u gehoor geen gesang der Meerminnen: 't On-tuyg ontwijke den slagh van u staart: Keerd van den dool-wech u snedige-sinnen: 't Binnense maar gedurig bewaard, d Edele-ziele (ô! Vader) doch spaard, En vaardigd sijn stadige-vaart.

3 Zijnde van menichte qualen, en pijn, (Wenschelijk) vry, na sijn hoogste-behagen: Laat hem doch tegen u dankelijk zijn: Iuychchen zy 't eynde en 't lest van sijn klagen: Lichtet hem met u Hémels-anschijn Leydet doch met de gerechtigheyts-lijn Dees' guldene-Dollephijn.

HOord hier de galm mijn 's Sang-Heldin.Weer-galm. Laurier en Palm (merkt op de sin) Bekrans, bekroon u eêl gemoed. U 't hans voor hoon des schempers hoed. Mijn stem nau meer uyt-voeren kon t' Axem, tot eer van Ian Foullon.

MIts sweeg den Weer-galm stil, doen sy Narcisses woorden,Sang-heldin. En lokkelijke-stem (na graagt) niet meer en hoorden. Want sy en heeft geen kracht te seggen neen, of ja, Maar wat een ander seyd dat galmd, en roept-se na: De sprake is (uyt haat van Iuno) haar benomen, Om dat-se an 't geheym (met klappen) was gekomen: De reden is sy quijt, maar niet het bang-geluyd, Waar door-se maar een schreeu, en die noch naulijks uyt. En had Narcisses noch een woord, of meer gesproken, Sy had haar woorden ook so kort niet af-gebroken: En mits den Iongman sweeg so sweeg de Nimphe mee, En week in d' holligheyt een's Rotse, an de Zee. De Nimphe was verliefd, en most den Liever derven: Wiens af-zijn haar in 't Bos, langs Berg, en Dal doet swerven, Daar roept sy yder na ter liefde van haar Vriend: Ook 't alderminst geluyd haar tot de reden diend. Hier word mijn Sang-Heldin van dese Maagd getrokken, En toond hoe dat-se schijnt met reden niet te jokken:

De schaduw is voor-by, het lichaam sien ik staan: En waar-men heden is behoefd men niet te gaan. Dit leerd my (in 't verschiet) de hoogte van mijn plichten: Hier sien ik in de nacht een held're-fakkel lichten. Foullon mijn eygen self, ik seg mijn twede-ik, Gy vleugeld my 't gedacht tot elken ogenblik, Door konstig, sin-rijk Rijm, uyt gonst an my geschreven: 't Geen my een hoge-roem schijnt boven my te geven: De reden blijven u, ook d'hoogste-eer daar van: Ik wensch (voor u) te zijn die ik niet wesen kan: Dat is een Redenaar, begaafd met hoge-kennis, En Goddelijke-weet, daar 't minst van in de pen is. En so d' Al-weter my met kleyne-weet begaafd (Dat met een meerder waan noch in gelijkheyt slaafd) So sal ik (boven waan) met volle wetens-vaordeel, U reden roem-rijk breyn (getoetst door 't keurlijk oordeel) De weters stellen voor, by wien noyt weter sterfd: By wien der geesten naam noyt lof, noch zegen derfd. Wanneer mijn Sang-heldin dit wel gaat over-leggen, Sy is van blijdschap stom, en weet geen woord te seggen: Als die (door overvloed) mist kennis van de stof, In allen onbequaam te uyten uwen lof: Die in u vloeyend-rijm door wijsheyt sich vertoonde, Daar u de stomme-pen onsterf'lijk mee bekroonde. Waar klimd u kloeke-geest, waar sweefd, u ziel-rijk-lijf, En kruyst den Oceaan, 't wijl ik hier énig blijf? Self op den ruwen-soom van d' Africaansche-stranden, Daar gy dan hier, dan daar komt ménigmaal te landen: En handeld met den Swart den lang vervloekte-Cham: By 't redenlose-volk daar oyt een Koopman quam. Gezegend-jongeling uw's Amts in grote achting, So heuge de Benijn u levende betrachting: Angole kend u naam Brasil u geestigheyt: Den Bocht, en Santhome, zy nu noch meer geseyd.

U eere word verhoogd, gy steygerd op de trappen Van wijsheyt, en geluk: als wenschens-eygenschappen. Hier staat de penne stil, en voegd ons in 't gedacht Wat doch d'Al-géver diend ten Offer zijn gebracht: Dees' Name seyd het ons, hy heeft het al geschonken, Daar wy (ô! nietig mensch) als eygen goed mee pronken. Maar u weet-gierig-breyn is van een beter aart Als die d' Ontfanger met den Gever evenaard. Den énen boven al, den ander immer nietig: Den énen goedertier, den ander seer verdrietig: Als gene 't alles geeft, en dese maar ontfangt, Veel meer als daar een Dier (met reden) na verlangt. Wat word hier veel geseyd? God heeft het al-gegéven, Dies geeft in sijnen dienst geheel u gansche-léven: Op dat geen huychchelij by u gevonden word, Wanneer de Slang het gift tot proeve, op u stort. De vreed', en overvloed, heeft ménig mensch doen vallen: Dies laat ons (door 't Geloof en Liefde) ons bewallen: De Liefd' tot d'even-mensch, 't Geloof op Gode siet, Sodaning dat het ook sijn beste veylig bied: Sodanig dat geen ding sijn Gods-dienst kan beletten, Hoe seer dat ook de Nyt sich mocht daar tegen setten. Mijn waarde-vriend Foullon die 't alles is bewust: In wien een wijs vernuft, en ware-reden rust, En driften tot Gods woord: dit zy u niet verborgen, Dat broederlijke-liefd' my voor u ziel doet sorgen: Mijn sméken klimt tot God, en toond voor u haar vlijt, Die my een Ionathan, en waarde-Ioseph zijt: 'k Seg' Ionathan mijn vriend die 'k eeuwig poog te houwen: Wiens Liefd' my liever is als self de Min der Vrouwen.2 Sam. 1. U harts vry-postigheyt, so open, so beleefd, Die my een goeden-raad met onder-rechting geeft: Die my veel deugd bewijst, en meerder noch voorstelden: Dat ik wel noemen kan, maar nimmer recht vergelden.

U by-zijn (waarde-ziel) was my (als balsem) soet: U af-zijn wederom is my een bitter-roet: Door het geheug der reên, gerecht tot sulken hoogte Die my (met Icar) trok tot onder Phoebi droogte: Den Aart daar in betoond van u ge-eerde stam, Waar van u geest-rijk lijf, gezield te voor-schijn quam: Waar uyt ook (neffens u) meer taken sijn gesproten, Van 't Vrouwelijk geslacht: so an-gename-loten: Die recht als suylen staan in 's Heeren heylig-huys, Als Beelden boven Goud: God-vruchtig, wijs en kuys. Mijn Broeder, Broeder? neen: mijn eygen ziel der zielen, Volgd dese in Gods Huys gedurig op de hielen: Op dat der Vrouwen deugd geen Mannen overtreft: Maar dat het Mannen zijn daar men de deugd verheft. Wat vreugde sal dat zijn u vrienden alle gader? U Moeder boven al, en uwen Ouden-vader? Hoe wensch'lijk sal u heyl Gods Huys-genoten zijn? Ook self de Engelen, voor 't Goddelijk anschijn: Wat vreugde sal mijn ziel ten vollen dan genieten? Wat blijdschap sal tot u als water henen vlieten, Wanneer u Christi Vreed' in overvloed bestraald, Wanneer des scheppers gonst dus op sijn Schepsel daald, Wanneer 't on-eyndig-licht verdrijft de duysternisse, En in u boesem stort den rust van u gewisse? Dit riep mijn Sang-Heldin doen als den Weer-Galm sweeg: Dat (door haar voor-gesteld) sy in de harssens kreeg: En mits een mijmering mijn sinnen hield beséten, So heeft een droeve-slaap my 't beste doen vergeten: Waar in ik was ver-rukt, en hoorde boven dat 't Geen ik hier in dit Lied met korte-reên vervat.

Stemme: Als 't Boks-voetje speeld.

1 Nu lestent eens 'sochtens, Ik sluymerd', en sliep: En hoorden (Met woorden) Een Nimph die my riep: Ontvoud uwe bochtens Steendam, en rijst op: Ont-duysterd, En luysterd, Want d' Helicons-top Is heden vervuld Met vreugde, gy sult Onthouden (gekluysterd) 't Geen d' Hemel schiep.

2 Dees' reden die wekten, En steurden mijn slaap, Ik snelde: My quelde Geen straffe, geen schraap: Ik geeuden, noch rekten, Maar speurden haar na. Sy vleyde, En seyde, Nu, volligd my dra, Tot onder een Boom, Besyen dees stroom Sianna. Sy scheyde, En koos de Kaap.

3 Daar waren de negen Heldinnen verseld Te samen: Met namen In 't lustige-Veld. Mercuri (hier tegen) Met Pallas gelijk, Die daalden, En straalden In 't duystere-rijk. Daar wierde gejuygd. Het bevende-ruygt Vernuwde, weer-haalde Haar Galm, gesteld.

4 Iupiter die hembden. En Delius sprak, Waar mede De reden Der Nimphen hy brak: Maar (schielijk) sy stembden Te samen weer in, En songen, En sprongen: En deden haar sin: Dies Phoebus (verstoord) Her-haalde sijn woord: Hy wierde bedwongen, Maar 't eynde strak.

5 Sijn reden die vloeyden Dus ylig her-voor: Gy goden (Ontboden)

Ey leend u gehoor: Een geest die sich moeyden Met d'Hémelsche-konst, Was immer Siet: nimmer Ontbloot van u gonst. Begaafd dan Foullon, Gelijk ook de Son In 't luwe-geschimmer Daar straalden door.

6 Bevochtigd sijn gaven, Sijn driften die boet, Sijn deugden, Sijn vreugden, Sijn edel-gemoed: Begiftigd dien braven, En dapperen-Held, Dien Dichter, En Stichter, Sijn waarde vermeld: Dat yder hem roemd, Ook die hem maar noemd. De waarheyt schijnt lichter, Met reên gevoed.

7 Doen sweeg hy: 't geschater Ging heftig weer an, Sy liepen, En riepen, So ga het hem dan. Den Echo (op 'twater) Verheften haar Galm Door Rotsen:

Met trotsen Van Kokes, en Palm: De vaardige-Faam Vermaarde sijn naam: Des Weer-galms na-botsen Was noyt daar van.

8 Hier mede verdwénen Dees' Hémelsche-schaar. De dieren (Met swieren) Vergaderde daar: Perkietjes verschénen, En Gayen: elk song: 't Gequarteld Dat sparteld, En slaat met de tong: De Philomela Die fluyten haar na, Wiens tonge (gekarteld) Beschaamd de snaar.

NAu was de leste-galm ten Wolken op-gestegen, Of 'k heb (na sluymering) een wakker oog gekregen. De sinnen op-gewekt, de harssens weer gescherpt, Het Hémelijk ontboeyd van 't dierelijk, benerpt, De geesten uyt-gebreyd, de spieren al gevaardigd, En self het plompste-deel met 't ander even-waardigd. Mijn Sang-heldin gevlerkt, die sweefde wonder hoog: Haar driften dreven my, en and're boven 'toog. Sy achter-volgd de plicht: ik blijve noch verhinderd: En 't geen ik doende wensch, wort wenschende verminderd. En hoe ik meerder tracht te volgen mijne plicht, Hoe meerder ook de vrucht lijd quetsing vaa die schicht.

Mijn plicht is (waarde-ziel) u roem met reên te uyten Door Sang-konst in gesang u harts geheym t' ontsluyten: Wiens wonderlijke kracht dat self het gift verdrijft: En die men meerder ook met ware-reên toe schrijft. Deef' Nimphe Sang-konst zy u nu te moet gesonden: Die u (terwijl gy komt) heeft wenschelijk gevonden. Sy welkomt u in 't hart, met handen, en gesicht: Dat ménig droef gemoed van 't swaar-gepeys verlicht. So haast sy 't Reetje sach sy juygde boven maten: En toond haar in die vreugd geheel als uyt-gelaten: Sy buygd haar voor u neêr, sy kust u mond, en hand, Sy roept ey wellekom: mits treed gy op het Land. Sy was als aseloos, om door het glas te kijken: Sy riep ô! Goude-Ree laat doch u Seylen strijken. En als het Reetje streek, doen song-se, so ik doe: Want wat-se singt, en seyd, dat stemd mijn Heldin toe: En wat mijn Heldin stemd, dat neur ik op een rietje. Stil, luysterd vrienden, gau: tot wellekomst dit Lietje.

Stemme: Dat de Meysjes.

1 WAs op heden, Nau geleden Seven schreden Van Dyaan, Doen hier 't Reetje 't Leste treedje, 't Gauste-leedje Stil deed' staan.

2 Dat mijn wenschen Was, allenschen 't Puyk der menschen Hier te sien: Dat ik beyde 't Hart my seyde 't Sal geschiên.

3 Dat (met ogen Toe-gebogen) 't Hart getogen Uyt sijn stee, Mijn gedachten Niet en achten Iet te wachten Uyt de Zee.

4 Als ik schielijk 't Reetje (ziel-rijk, Roer-rijk, kiel-rijk) Sach gekeerd: 't Zeyl dee deysen, Na sijn reysen. Vol gepeysen, 'k Was ver-heerd,

5 Van 't verlangen. Nu ontfangen Blijde wangen, Vriend-Foullon: Door verselling Die (na quelling) Dees' verstelling In my won.

6 't Hart verheugde, En verjeugde, Door de vreugde Van u komst: Die dit werkte, My versterkte. Siet: dit merkte Ook het stomst.

7 'k Was acht Maande Van u: gaande d' Ongebaande Wegen door, Prijk'loos wand'len, Veylig hand len, Goude-mand'len Van den moor,

8 Nu, u by-zijn Doet my bly-zijn: So zijt gy mijn Wellekom: Als van Gode, 's Levens bode, Een genode Wederom.

9 God die zegen, God beregen, God bejegen U gelijk Als u Vader. 's Levens Ader, Neem u nader In sijn rijk.

GY die 't asurig-veld met u bepekte-romp (stomp: Door-ploegd: en weder-boud, en maakt diens kouter Gy die den Dollephijn (als Arion) kunt mennen: En 't hoornig water-volk zijt waardig te bekennen: Die Thetis houd gehuyst, Neptuni gonstig is: En die den dach gebruykt gelijk de duysternis:

Die 't eyndelose-pad van so veel honderd mijlen Loopt, door den Oceaan, sijn rugge door te kijlen: Die 't wit gevlerkte-dier door Zee, en Wolken drijft: Wiens vaardige-gewricht in 't rennen noyt verstijft: Gy die den Remora zijt machtig te bedriegen: En door u snelle-vaard schijnt min te gaan, als vliegen: Die om dit Ronde-rond 't getakeld-rif beweegd: En 's Werelds vreemd-geheym te ondersoeken pleegt: Wiens délen gy ver-eend, en d' aldervreemste volken Tot handelinge brengt, door Domme, Stomme-Tolken: Gy die dus swierd, en sweefd, als tusschen Zee, en Lucht: Na wien mijn grétig-hart heeft langen tijd gesucht: U meen ik Ian Foullon wiens deugde ik beminde, En die ik had gehoopt veel eerder hier te vinde. Dewijl gy door de nacht ons zijt voor-by gedwaald, Wiens scha gy (door 't versin) met kracht nu wederhaald: En dat een Midanist (uyt waan) u poogd t' ontmoeten, So laat nochtans mijn hart, en mond u niet te groeten: Mijn groete is tot u met d' hoogste-wensch verseld, En 't geen u niet de mond, mijn blijde-pen verteld. Zijt wellekom mijn vriend, zijt wellekom mijn Broeder: U geef Geluk en Heyl ons aller zielen-Hoeder: Zijt wellekom Foullon, zijt wellekom mijn Vriend. Wat name geef ik u die tot mijn méning diend? Ik noem u twede-ziel, en moet daar mede swijgen, En kan geen hoger naam in mijn gedachten krijgen. Zijt wellekom mijn vriend, mijn broeder wellekom: Zijt wellekom mijn ziel. Hier word de penne stom.

Jacob Steendam.

Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den distelvink · Jacob Steendam · Poetry Cove