Het nachtegaaltje.
Een woord vooraf aan de kleine lezers.
In zijn groene looverzaaltje,
Waar het warme zonnestraaltje
Vriendelijkjes binnenschiet,
Zingt het vrolijk nachtegaaltje
Onvermoeid zijn lentelied.
Wat al deuntjes kwinkeleert hij,
Wat al trillertjes schakeert hij,
Zoet en zangrig voor 't gehoor!
En geen ander loon begeert hij
Dan een toegenegen oor.
'k Weet een boekje met gedichtjes,
Vol van prentjes en gezichtjes,
En van buiten marokijn:
Laat dat boekje, zoete wichtjes,
U een nachtegaaltje zijn
Neemt de proef eens, lievelingen!
Kijkt het in, en 't zal u zingen
Mooije liedjes bij de vleet,
Snaaksche stukjes, wondre dingen,
Die ge zeker nooit vergeet!
Mogt ge dat de waarheid vinden,
Lieve kindren, welbeminden!
Grooter vreugde hadt ge niet,
Dan het drietal kindervrinden,
Dat u 't Nachtegaaltje biedt.
t. K.