Stemme: La Bergere. O Ware Voedster van mijn Jeught, Wiens groote deught, Wiens gaven blincken als de Son, O velt Godinne: O Harderinne: Die overwon. 2 Mijn hart, mijn ziel, en al't ghemoet, Noyt teghenspoet Ghenaeckten my in't luwe dal, Daer ick met lusten So vaeck gingh rusten, O eenighst al, 3 De Goden schenen selfs verblijt, Dat doe ter tijt Wy Min met Min strenghelden soet, Soo d'een als d'ander, Al door malkander In overvloet. 4 De doot ghescheyden heeft ons Twee, Ey my: o wee: Verdoolt loop ick door Bosch en Wout, Dat selfs de Dieren Schricken voort gieren, Mijns stem verflout. 5 Ick woel, ick draef, ick run, ick jaegh, Al even-staegh, En ga vaeck sitten op u graf, Bedouwt met tranen, En moet vermanen Wat jonst ghy gaf. 6 Wel eer doen ick de aerd' opgroef, U tot behoef, En stack het spaetjen in het zand, Het druckigh lyden, Voor't lief verblijden, Nam d'overhand. 7 Leght daer, dacht ick, o lieve Licht: U sy ghesticht Een Marmer-Tomb, voor trouwe min, Voor alle pijnen,
Voor al het quijnen, O Harderin: 8 Boomen en beeckjens vrylijck tuyght: Het wilde ruyght Betreden is vaeck van mijn hart, Met lieffelijck kosen, Met minnelijck blosen, Met blye smart. 9 Rust daer, ey rust, verkoren vrouw: Kond ghy mijn rouw Be-ooghen eens, dan soud'ghy sien, Hoe in het leven Ick na moet sweven, Troost'loos allien.
Cookies on Poetry Cove