Ondersoeck van vvat kracht droomen zijn in het stuck van't houvvelick. Philogamvs. WY zijn hier op droomen gevallen, ghelijck ghy siet, Sophronisçe; en om van alles wat te hebben, soo moet oock van dese stoffe wat gesproken worden, en des te meer vermits veel jonge lieden, die op haer trouwen staen, al dickmael met dese dweperije behebt zijn, de selve poogende uyt te leggen yder nae syn gelegentheyt. Wat hout ghy doch van desen handel? Soph. Waer veel droomen zijn, daer is ydelheyt (seyt de Wijse-man Eccl. 5.6.) en droomen, seydt Syrach 34.2.3. en zijn niet anders dan beelden sonder vvesen, en vvie op droomen achtet die grijpt als naer een schaduvve. Derhalven soo wort dickmaels in Gods woort verboden, op droomen acht te nemen. Deut. 13.3. Levit. 19. &c. Phi. Maer in tegendeel soo sie ick, dat in veel meer plaetsen van de heylige Schrift God de Heere syn wille door droomen heeft gheopenbaert gehadt; aen Abimelech, ten eynde hy Sara aen haren man weder soude geven. Genes. 20.6. aen twee mede gevangenen van Ioseph. Genes. 40.5. als d'een sterven, d'andere weder tot eere komen soude, aen den koningh Pharao, als hem de sevē vruchtbare ende seven onvruchtbare jaren werden kennelick ghemaeckt. Genes. 41.1. en daer te voren aen Ioseph, als sonne, mane, ensterren sigh voor hem neyghden. Genes. 37.5. en bovē alle dese en menighfuldige andere mede in het nieuwe Testament, als Ioseph, de man van de maget Maria, in den droom vermaent wert haer niet te verlaten, als, Herodes gestorven zijnde, hy vermaent wert met het kindeken in't lant Israels te keerē. Matth. 1.20. Matth. 2.20. en diergelijcke meer. Dese droomen en zijn immers niet ydel, en mitsdien oock niet te verwerpen gheweest. Van gelijcken soo sie ick dat Valerius Maximus, een heydens schrijver, in syn eerste boeck in 't sevende capittel seer veel exempelen by-brenght de droomen rakende, die voor waerachtigh gehouden en van grooten gevolge zijn geweest; ghelijck in andere historien mede nier en daer wert gesien. Hier op een woort tot berechtinge, weerde Sophronisçe. Soph. Ick hebbe somwijlen mijn ghedachten over dese gelegentheyt van de droomen laten gaen, goede Philogame, om een uyt-komste ende onderscheyt te vinden in dese en andere plaetsen der Schrifture en van andere schrijvers. En voor eerst soo is my te binnen gekomen op dese ghelegentheyt, dat God de Heere gelijck de prophetien also mede de droomen in oude tijden veel meer heeft laten gebruyckt werden, als in de volgende eeuwen. En dan vorder soo is het kennelick, datter veel droomen zijn, die uyt natuerlicke redenen voort-komen, onder andere als yemant saken voor komen die hy veel wakende is gewoon te doen of te dencken. Hoedanige droomen gelijck zijn een luyt ofte cyther, die, met de hant geroert ende neder-geleyt zijnde, noch soo eenigh geluyt plagh te geven, schoon niet soo bescheyden en helder als te voren. En van soodanige wil ick houdē dat Salomon spreeckt, en seyt die ydelheyt te wesen; gelijck 't gene de menschen wakende doen mede al meest is van die stoffe. Even-wel uyt eenige der selven (alsser natuerlicke redenē toe dienen) kan somwijlen yet getogen werden; behalven dat nae de gestalte van de lichamen veel droomen nu en dan de menschē voor-komē, daer van is te handelen. Daer is een tweede sorte van droomen die van de quade geesten de menschen in den slaep werden in-gestort, om snoode beweginghe, gramschap, haer vuyle lust of diergelijcke in de selve op te wecken, of tot ondersoeck van toe-komende dingē gaende te maken; ende van de selve meyne ick dat Syrach geseyt heeft: Droomen bedriegen veel lieden, ende die zijn bedrogen die daer op bouvven cap. 34. vers. 7. Daer is een derde geslachte van droomen die van God in de gedachtē der menschē werde in-gevoert, door middel van de goede Engelen, ofte andersins; hoedanige exempelē niet alleenlick vele in de Schrifture, maer oock in de historien werden ghevonden, daer van gesproken wert by Daniel in vougen als volght: God van den hemel kan verborgen dingen openbaren, en heeft den koningh kont gedaen vvat in toekemende tijden geschieden sal. Dan. 2.27. Maer onder andere soo en is niet sonder bedenckinghe voor-by te gaen, dat Homerus, ertz-vader van de poëten, op het stuck van de droomen van outs heeft geseyt, gelijck sulcx by de geleerde is bemerckt. De selve, doende spreken dien oudē en wijsen Nestor op sekerē droom die de koningh Agamemnon was voor ghekomen, seyt, dat men in achtinge moet nemen de droomen van prinçen, soo wanneer de selve slaen op den Staet of op dē koningh selfs. Estiene Pasquir, hier op syn bedenckinghe voort-brengende, verhaelt verscheyde exempelen, die het seggen van den poëet Homerus waer hebbē gemaeckt, die ick hier, om kortheyts wille, niet en wil verhalen. Eene en kan ick even - wel niet voor - by gaen, als sonderlinge aenmerckelick wesende, Marguerite van Borogne, seydt hy, was, seer jongh zijnde, belooft aen Karel den achtsten, koningh van Vrancrijck, en was de selve over-gelevert in syne handen, om de selve op te voeden na wijse van 't rijck, ende van syn genegentheden, om de selve, tot bequamen ouderdom ghekomen zijnde, hem tot een vrouwe te mogen toe-eygenen. Gedurende welckē tijt, boodt sigh aen het houwelick van de prinçesse Anne eenige erfgename van den Staet van Bretagne, ende het stont tot verkiesinge van dē voorsz. koningh, d'eene ofte d'andere voor hem ten houwelicke te mogen nemen. Het is dienstiger bevonden gheweest voor het rijck, dat de koningh sigh soude versellen met de hertoginne Anne, ten eynde op dat, door dat houwelick het hertoghdom van Bretagne zijnde vereenight ende verheelt met de kroone van Vrancrijck, daer mede soude komen vernietight te werden verscheyde gheschillen, die men t'anderen tijden hadde meynen te vereffenen met den punt van den degen. Nu soo is te letten op sekerē droom, die de voorseyde prinçesse Marguerite voor quam, dewijle de selve haer woonplaetse was hebbende op het kasteel d' Amboise, alwaer de selve voor den koningh wert op-gevoedt. De selve op een morgenstont wandelende in den hof van het selve slot, gevolght van veel edel-lieden ende edele jonckvrouwen, wert ghevonden swaerder van geest te wesen als naer gewoonte. Yemant van haer gevolgh nam de vrymoedigheyt, haer te vragen, van waer haer die swaermoedigheyt was her-komende. waer op de selve tot antwoorde gaf, dat sy dien voorleden nacht in groote ongerustheyt hadde deur-gebracht, uyt redenen dat haer docht in den slaep, datse was in sekeren schoonē hof, in 't midden van de welcke stont een schoone madelieve, in't Frans Marguerite gheseyt, van de welcke haer de bewaringe was op-geleyt, en besigh zijnde die wel gade te slaen, il y est arrivé vn Asne (seydt de Franschē text) die met duysent loose streken de voorsz. bloeme socht van daer te lich-ten, het welck sy met alle middelen hadde getracht te belettē ; maer dat dien niet tegenstaende ledict Asne eyntelick de voorsz. bloeme haer hadde weten van daer te gekrijgen. De voorsz. prinçesse voeghde hier by, dat desen droom haer in den slaep seer hadde ontstelt, en dat de selve ontsteltenisse, oock als sy wacker was geworden, haer niet en hadde verlaten. Ten tijde dit verhael by de jonge prinçesse wert ghedaen, en wasser niemant van het geselschap die daer op eenigh soodanigh bedencken hadde, als namaels daer op is gevolght; maer het houwelick dat Anne van Bretagne dede met den voorsz. koningh Karel den achtsten, tot nadeel van de voorsz. Marguerite van Borgogne, heeft wel uytgewesen, dat de dubbel-sinnigheyt ende gelijck-naminge, schuylende onder de woordē van Marguerite ende Asne, niet sonder werckinge en zijn geweest. Pasq. Recher. de France lib. 5. cap. 4. Phi. De spreucke van Nestor by den poëet Homerus is van diepen insichte, ende het exempel daer op gepast is aenmerckens weerdigh; dan ick en wil daer op nu niet staen. Maer seght my doch, wat raet nu om goddelicke droomen, mitsgaders de ydele bedriegerijen van de boose geesten te onderscheyden? Soph. De goede ofte quade werckinghe uyt de droomen volgende kan daer in al eenigh licht toe-brengen; Maer om ten vollen daer van te spreken soude ons al vry wat langer tijt van noode wesen, als die ons jegenwoordelick over is, en daerom sal icker alleen weynigh toe seggen, te weten, dat ick vast houde en sekerlick geloove, dat als van Gods wegen den mensche een droom toekomt, dat God met eene sodanigen mensche sekerheyt doet ghevoelen, dat de selve droomen hemels zijn, en van hem den vader der lichtē zijn herkomende. En als my sulcx voor quame, soo wilde ick des met de harders der zielen ofte andere godsalige luyden in bespreck komen, ende haren raet en bedenckinge daer op grondelick verstaen. Phi. Onder wat soorte van droomē sult ghy nu stellen het exempel dat wy voor handen hebben? want, voor my, ick oordeele, dat soodanigen droom, ghelijck ons hier beschreven is is dese gheschiedenisse, uyt geen natuerlicke redenē en kan her-gekomen wesen. Soo moet dan de selve of van goede of van quade geesten syn oorspronck hebben. Wat is u gevoelen? Soph. Voor eerst vast zijnde ghestelt, de sake alsoo geschiet te zijn als die hier is verhaelt (het vvelk voorwaer schijnelick kan werden op-genomē, dewijle beyde oude en nieuwe geloof-weerdige schrijvers daer van gewagen) soo soude geseyt mogen werden, nademael dese vertooninghe, in den droom gedaen, was streckende niet tot vuyle lust, maer tot een wettigh houwelick, dat mede dese sake voor-viel tusschen twee vorstelicke personen, en dat door haer lieder houwelick tvvee rijcken te samen stonden gebracht te werden, sonder bloet te storten, dat weynigh gebeurt: dat misschien hier in wat goddelicx magh hebben gescholen, niet tegenstaende dese lieden Heydenen waren; dewijle oock aen de Heydenen soodanigen openbaringe dickmaels zijn geschiet. Maer in soo oudē sake derhalven wat sekers te stellen en is ons dinghs niet. Vide Alex. ab. Alexand. lib. 1. cap. 24. Sard. de morib. lib. 1. cap. 4. Mart. Delrio disquis. mag. Tom. 2. lib. 4. cap. 3. Phi. Ghy seght wel, goede Sophronisçe, en daer op verandere ick van propooste, en vrage u: Nademael oock het aldereerste houwelick door een diepen slaep is te wege gebracht en in't werck gestelt, gelijck ons Moyses dat getuyght, of u in een droom voor quam sulcx als Odatis en Omartes hier wert verhaelt gheschiet te zijn, of ghy niet vast en soudt stellen, dat u God soo een partuyr, als u in den droom soo-duydelick vertoont ware, hadde toe-geschickt? Soph. Indien ick stont in pointen van een vrouwe voor my op te speuren, en daer op mijn sinnē krachtelick wrochtē, en vooral soo ick tot dien eynde door den gebede by God meer-malen hadde aen-gehouden, om my een gevougelick partuyr toe te schicken, en dat daer op quame te volgen, dat my soo een gestalte in den slaep quame voor-gestelt te worden, met soodanige omstandigheden als in dese geschiedenisse is verhaelt; sonderlinge datter een jongh vrou-mensch aen de ander zijde mijns persoons halven een diergelijck gesichte ware voor-gekomen, en dat ick daer over mijn genegenthedē soo geroert mochte vindē, als aen dese twee jonge lieden schijnt geschiet te zijn, soo woude ick ghevoelen, datter yet goets en goddelicx in vermenght ware; immers ick soude het de pijne waert achten sulcx in ernst bedencken te nemen, om goet ondersoeck te doen, hoe het geheel werck sigh toe drough. Phi. Ghy en soudt het dan noch al, soo ick hoore, op dat nacht-gesichte niet alleen laten aenkomē ; maer woudt noch al middelen en omsichtigheyt gebruycken. Soph. Buyten twijffel, goede Philogame, sulcx behoort in alle soodanige ghewichtige saken also betracht te werdē. Want die op soo bedriegelicke, twijffelachtige, en onsekere grondē bouwen, achte ick geensins te wesen na de weerdigheyt van het werck. Phi. Ick hebbe nu des u meyninge ten vollen verstaen. Maer hier doet sigh open een andere vrage, te weten. Wanneer verscheyde jonge lieden een jonge deerne ten houwelick versoecken, en de vader den eenen, de dochter eenen anderē wil verkiesen, wiens verkiesinge in dien gevalle plaetse behoort te grijpen? Soph. Hier soude al wat veel op gheseyt konnen werden; Maer vermits wy in de dweperije van de droomē een deel tijts hebben versleten, soo wil ick hier kort zijn, en segge daerom, dat de dochter ernstelick vermaent zijnde haer nae den wille hares vaders te vougen, en daer toe goede vlijt ghedaen wesende, ende dat de selve bleve vast staen op hare verkiesinge, soo ben ick van gevoelen, Dat ingevalle de vader geen genoughsame redenen en hadde om den jongelingh, daer toe de dochter genegen is, te verwerpen (wel verstaende ingevalle de dochter is gekomen tot behoorlicke jaren van bescheydenheyt) de vrijster behoort te werden toegelaten, om haer keuse te mogen genieten. Vide Cyprae. qui post varias sententias relatas ita concludit Tract. de Sponsal. cap. 7. §. 8. num. 4. Phi. Wat noemt ghy behoorlicke jaren van bescheydenheyt? Soph. Deselve konnen by ons, volgens d'ordonnantien van dē lande, genomen worden op twintigh jaren voor eē jonge deerne, en op vijf-en-twintigh voor een jonghman. Phi. Maer de vader, soo hy de sake gesint is hart te drijven, sal altijt konnen seggen genoeghsame redenē te hebbeē tegens dē persoon by de dochter verkosen, en sal daer op het werck gedurighlick konnen beletten. Soph. Verstaet my wel, goede Philogame, ick hebbe voor desen gheseyt, en segge het noch, dat alle dochters in dusdanige bekommerlicke ghevallen, te weten, daer haer wille met haer vaders ofte ouders wille strijdigh is, gansch wijsselick hebben te gaen, God ernstelick voor een goede uytkomste te bidden, dewijle het vry veel in heeft sonder bewilginge van den vader een houwelick aen te gaen. Maer dit alles nae behooren gedaen zijnde, ende de vader volherdende in syn voor-nemen, soo soudē eyntelick de saken aen den rechter moeten werden ghebracht: de welcke alsdan met goede kennisse van saken soude hebben te letten, of des vaders redenen van soodanigen gewichte zijn, dat niet de sinnelickheyt vā syn dochter, maer de zijne plaetse behoorde te grijpen. Philip. Melant. loc. commun. tit. de conjugio, Ad officium judicum pertinet, considerare an parentes probabilem causam habeant refragandi. Et id in multis Germanię vrbibus fieri asserit. Phi. Als de sake met soo veel ommeslagh en beleyts soude moeten gaen (als ghy verhaelt) soo ducht ick dat de deerne licht haer proçes soude komen te verliesen, dewijle dat d'ervarentheyt veeltijts leert, dat jonge lieden aen ick en weet niet wat dickwils haer sinnelickheyt zijn vast makende, en over het hooft sien saken die in 't houwelick van groot bedencken zijn; daer in tegendeel ouders en vriendē (die de sake recht meynen) op vaste gronden gaen, en niet als dingen van gewichte in bedencken plegen te nemen. Soph. Ghy hebt wel geoordeelt, lieve Philogame. want jonge liedē (seyt tot dien propooste een wijs man) nae den aert en eygenschap van de jeught, hebben in't gemeen geen ander ooghmerck in 't verkiesen vā een man ofte vrouwe als haer soete vermakelickheyt; en wenschen daerom dat de gene, diese by de hant willen nemen, zy jonck, schoon, vrolick, en vriendelick, en dat naer haren sin. Maer ouders, die het stuck wat dieper insien, die wonden wel voor haer sonen ofte dochters een partuyr hebben daer wijsheyt en besetheyt by ware, oock een goet geslacht en goede middelen, de schoonheyt en het jeughdigh groentje, daer de jonckheyt soo sterlinghs op siet, koomt by hen lieden weynigh of niet in achtinge; en daerom 't vermoeden dat de rechten hebben is altijt voor de ouders, en dat die selve het wel meenen met haer kinderen. Sulcx dat het remedie daer van ick nu gewaeght hebbe, is alleenlick gevondē tegens eenige selsame hoofden van vaders, die uyt gierigheyt, of om andere redenen de houwelickē van haer dochter niet seer geerne gevordert en sagen, en also een knoop in de biesen soecken te brengen. Nu dit zy genoegh geseyt op de gelegentheyt van een houwelick, op eē droom gegront. Laet ons nu scheyden, of yet anders ter hant nemen. Phi. Voor my, Sophronisçe, ick houde dit trou-geval voor een van de selsaemste en bysonderste, daer ick oyt van gehoort of gelesen hebbe, en my dunckt dat men het selve soo licht niet en dient te verlaten, en van de hant te slaen. Soph. Hoe! meynt ghy dan, Philogame, dat liefde ende houwelicken door droomen veroorsaeckt soo selsaem zijn in de werelt, en dat de selve soo weynigh onder ons ghevonden werden? Wat my aengaet, ick meyne datter naeuwelicx geen liefde, en weynigh houwelicken te vinden en zijn, die niet op droomen gegront, en door droomen zijn gevoedt geweest. Phi. Hoe dat, weerde man? Soph. Ick heb al lange een goet gevallen gehadt in het seggē van seker oudt Philosooph, die hout, dat, schoon datter veel menschen in een plaetse zijn, dat de selve efter al te samen maer eene werelt hebbē soo lange sy luydē wacker zijn; maer slapende en droomende, dat de selve dan elck een werelt in't bysonder heeft op syn selvē. want soo langh sy luyden wacker zijn, soo sien de selve in 't gemeen de gedaenten soo die zijn en voor oogen staen; maer slapende en door droomen vervoert wesende, soo siet een yder niet ons algemeene werelt, maer siet in 't bysonder lantschappen, bergen, dalen, revieren, toorens, gehuchten, na de inbeeldingen die hem dan in syn droomē zijn voor-komende. Op gelijcke wijse dunckt my geseyt te konnen werden, dat alle menschen noch in haer geheel en niet vervoert zijnde door liefde, aensiende een jonge deerne, de selve sien als met een gemeen ooge en op een en de selve wijse, ghesamentlick oordeelende van haer gedaente sulcx, als het inder daet is, dat is, wit voor wit, bruyn voor bruyn, bleyck voor bleyck, en soo vervolgens ghelijck de saken leggen; maer de gene die door de liefde alreede in slaep zijn gewieght, en in die soete droomen verdwelmt leggen, die sien en hooren dan yder in het bysonder, dat niemant in't gemeen sien of hooren en kan, en sy vernemen een ander gesichte, een andere sprake, en een geheel ander gelaet in de gene op de welcke haer droomen en gedachten zijn spelende, als oyt yemant met wakende oogen daer in heeft konnen sien.
- Ipsi sibi somnia fingit Quisquis amat.
Phi. 'T is wisselick alsoo, weerde Sophronisçe. want hoe weynigh ick van de voorsz. soete dweperije geraeckt bē geweest, soo vinde ick efter inder daet, dat uwe reden waerachtigh is, en uwe gelijckenisse wel te passe gebracht. Soph. Maer het is scheydens tijt, Philogame, ick wensch u goeden dagh, en gae mijns weeghs, dewijle my sekere huysselicke saken elders roepen. Phi. Ick en wil u niet op-houdē, weerde man, om u geen oorsake te gevē, namaels mijn huys te schouwen. Vaert wel tot uwe naeste gelegentheyt. DE vrienden aldus in stant vvesende om te scheyden, soo viel Philogamus in de gedachten, dat het tvveede deel van het voor-genomen vverck (in sigh behelsende de trou-gevallē van de oude werelt) wel haest met lesen ten eynde mocht zijn gebracht: hy daerom sigh omme-keerende na Sophroniscus, vraeghde hem hoe veel trou-gevallen datter noch everigh waren te lesen in het voorsz. tweede deel. Niet meer als een (ant woorde Sophroniscus.) Tis wel waer (seyde hy vorder) dat in het werck noch een andere geschiedenisse van den ouden tijt te vinden is, doch niet in dese plaetse, maer in het leste deel: het welck by den Schrijver alsoo is gedaen om redenen die ick (en yder die met oordeel leest) vermoedelick soude kennen uytvinden. Hoe! seyde Philogamus, isser maer een geschiedenisse over van het jegenwoordigh deel? soo gunt my doch soo veel tijts, dat ick het selve nu mede magh aflesen, ick verhope dat sulcx geen ongelegentheyt over uwe saken en sal brengen. Kan ick een vrient soo vriendelicken bede ontseggen? (antwoorde Sophroniscus.) Begint, jongelingh, en ick wil u het oire leenen. Philogamus, op het woort hem weder settende, began te lesen als volght.
Cookies on Poetry Cove