Skip to content
1637

Trouringh

Jacob Cats

Ondersoeck Van de ontschakinge ondernomen by de Benjamijten over de dochters van Sçilo.

1.HOuwelicken, door middel van ontschaken te wege gebracht, mispresen. 2.Wat tot onschult van het ontschaken van de dochteren van Sçilo door de Benjamijten geseyt kan werden. 3.Swarigheden ontstaende uyt gedwongen houwelicken, en droevige exempels op die gelegentheyt. 4.Vreemde fenijn-menginge, eñ de werckinge van de selve. 5.Of yemant die een jonge deerne met haren wille vervoert moet verstaen werden een ontschaker te wesen, en daer voor mach gestraft werden? 6.Of het soo is, dat een jonge deerne uytter aert dien lief krijght die haer eerst van haren maeghdom ontset, gelijck sommige voor-geven? 7.Of eē vrou-mensch willende trouwē met haren ontschaker, sulcx by de Overigheyt behoort te werden toegestaen?

Soph. Wel, Philogame, wat is u ghevoelen van desen handel? Phi. Dit werck gaet regel-recht aen tegens de gronden van al dat houwelick ghenoemt1. wert. want nadien het selve te rechte wort geseyt te vvesen een vvettige by-eenkomste van man en wijf met onderlinge bewilginge van de selve: soo sien wy hier een gansch onwettige t' samen-komste, als aen-gegaen tegen danck van de gene sonder wille van de welcke sulcx niet en kan ofte en behoort te geschieden. En wat kander meer gaen tegens alle goede wetten, als dat yemant het syne ontweldight, en een ander toe-geeygent wert, als in desen is geschiet? En wat kander ongeregelder in een lant bedrevē werden, als dat aen een vader syn kint, aen een vrijer syn geminde, en aen een bruydegom syn bruyt af-handigh wert gemaeckt? gelijck ick niet en wil twijffelen, of daer zijn onder de twee hondert ontschaeckte maeghdē van Sçilo vrijsters van andere bemint, en bruyts aen andere verlooft vermenght geweest; soo als men nae alle waerschijnelickheyt kan afnemen. Nu soo isset bekent, dat niet door het by-slapen, maer door eē soete onderlinge bewilginge het echte bont volmaeckt en tot syn recht ooghmerck gebracht wert. En t'wijle al dit werck door minne en vriendelick onthael, ende niet door gewelt is te vorderen, soo verklare ick rondelick, dat my dit geheel beleyt gansch niet en bevalt. Soph. Maer dunckt u geen onderscheyt te wesen tusschen ontschakinge, die by een bysonder man, ofte by eenige weynige jonge lieden wert gedaen, en tusschen een soodanigh beleyt, dat van hooger hant en by de machten vaā het lant wert aengevangē, en om eenige redenen van State te wege gebracht? Phi. Iae gewisselick ick sie daer in een merckelick verschil te wesen. Maer hoeder meer dochters ontschaeckt ende geweldelick wech werden gevoert, hoe my dunckt dat het aenstootelicker is, en des te meer als sulcx geschiet met toestandigheyt ofte oogluyckinghe van de hooge Overheyt, de welcke in dien gevalle schijnt als een coppelersse (met eerbiedigheyt moet ick soo spreken) van soodanige onwettige t' samenvoeginge.

Te hooger yemant is verheven, Die eenigh bouf-stuck heeft bedreven, Te vuylder is de boose daet, En daerom weerdigh meerder haet.

De Romeynen in haer begin hebben dit werck mede eens ter hant genomen, en doe vviert op dat mael bevonden, datter 683. jonge deernen gheweldelicken waren ontschaeckt, selfs mede door beleyt en bewilginge van haren nieuwen koningh Romulus. Maer hem is oock ter dier oorsake eē rechtveerdige oorloge aengedaen by de om-leggende volcken, sigh hier door gehoont ende mishandelt vindende. In voegen dat hy licht synē nieuwē staet t'eenemael te gronde soude hebben geworpen, door soo stouten vermetelheyt, tē ware eenige wijse en bescheydene onder de vrouwen sulcx hadden af-gebeden ende belet. En gewisselick ware het mijn sake geweest (als het doen ter tijt der Sabinen was) ick hadde aen dien rouwen hoop haren moetwil wel dapper uyt-gewet, en aen de selve haer ongelijck met de wapenen scherpelick doen gevoelen, tot wrake van haer bedrogh en roeckeloose ongebondenheyt. Soph. Maer, lieve jongelingh, dat heeft al mede syn bedencken, de sake wat dieper zijnde ingesien. Hoe! dunckt u niet dat het ontschaken al te laet gewroken wert, soo wanneer het gewelt alreede in liefde, en het wech-voeren in eē houwelick verandert is? ja soo wanneer dat alreede uyt dat selvige houwelick kinderen zijn voort-gekomen? Wat batet doch den genomen maeghdom te gaen wrekē, als die gene die onlangs maeghden waren, tot vrouwen jae moeders geworden zijn? Soude niet soodanige wrake de wrekers en de hare meest beschadigen? Phi. Ick mercke dat dit bekommerlicke gevallē zijn, en van sonderlinge insichten; even-wel ick segge als noch, dat ick dese maniere van doen gansch strijdigh achte met de gronden van een wettigh houwelick (immers nae dat ick het werck insie) Maer 't heeft u gelieft mijn invallen hier over te hooren, die ick rondelick hebbe verklaert. Laet my nu verstaen, wat u gevoelen op dese gelegentheyt wesen magh. Soph. Wat ontschakinge van maeghden ofte vrouwe-kracht aengaet, ick ben met u van het selve gevoelen, dat sulcx een eerlick houwelick regel-recht tegen is, also alle houwelicken op onderlinge bewilginge nootsakelick gegront moetē werden; Maer die dit stuck van de Benjamijten wat dieper insien, die meynen hier geen ontschakinge, en min gewelt geschiet te zijn, maer yet sulcx dat soo eenige goede redenen van onschult voor sigh is hebbende. Phi. Hoe kan sulcx met eenigen schijn van redenen geseyt werden? daer wy gansch anders uyt de geschiedenisse konnen af-nemen. Seght my doch eens, wat glimp hier toe gebracht wert? Soph. Men hout, weerde Philogame,2. dat de Benjamijten de maeghden van Sçilo sigh niet en hebbē toe-geeygent, om de selve ofte haer ouders onlust, gewelt, of schande aen te doen; maer hier is te letten, dat de selve (vā hooger hant des gemachtight zijnde) de dochters van Sçilo tot hen hebben genomen, om te bate te komen, en als te vervullen de onmacht doen ter tijt in de ouders wesende, die om des gedaen eedts wille (als ghy weet) haer dochters niet en vermochten de Benjamijten tot vrouwen uyt te geven, schoon de selve wel hadden gewilt sulcx te mogen doen. In voegen datse vermoedelick blijde zijn gheweest, dat de sake nae haren wensch quam uyt te vallen, sonder sigh van meneedigheyt schuldigh te maken, dewijle dat het blijckt uyt het geheel verhael van de geschiedenisse, dat sy luyden, door den onbedachtē eedt verstrickt zijnde, niet anders als een bequame uyt-komste en sochten, om van den selven eedt ontslagen te zijn, en also de bedorvē en vervallen stamme haerder broederen weder op te rechten; en het selve is geschiet even door den aenslagh van de Benjamijten. Phi. Ick en kan dit niet soo geheel voor goede ende ganghbare munte ontfangen. Want te seggen, dat de Benjamijten van hooger hant gemachtight zijn geweest, om den eenen syn vrijster, den anderen syn kint, den derden syn bruyt af-handigh te makē en weet ick niet of schijn van redē heeft. te min dewijle datter doen geen hooge macht by dat volck te vinden en was. Want ten dien tijde (seydt de Schrift ) en wasser geen koningh in Israël) en yder dede wat hem wel geviel. Soo is dit werck dan veel eer voor een dom gewoel van een ongeregelde gemeente, als eē wettigh besluyt van de Overheyt te rekenen. Soph. Het zijn even-wel de outste en aensienlickste van den volcke geweest, die het stuck hebben aen-gedreven, en voor een gront-slagh (soo het blijckt) hebben ghemeynt gelegt te moeten werdē, dat de welstant van dē Staet de hooghste wet is, en dat dusdanige groote gevallen veeltijdts soo wat rouwigheyt en onbillickheden in sich hebben; doch verbeteren het al met den dienst van't gemeene beste. Phi. Wel, om hier op niet langer te staen, soo wil ick dat nu niet dieper ondersoecken, tot naerder gelegentheyt. Maer dit verstaē zijnde gelijck men wil, 'tis even-wel de waerheyt, dat de dochters van Sçilo, hier van niet wetende, gewelt is geschiet, en ten dien aensiene en zijn de Benjamijten van vrouwe-kracht niet onschuldigh te houden. Soph. Ick weet niet of dat alsoo vast gaet, als het wel schijnt ten eersten aensien. Goede Philogame, ghy weet dat de Rechtē duydelick seggē, dat eē dochter ontschaeckt zijnde, schoon het bleke, jae schoonsy selfs verklaerde sulcx met haren vville geschiet te zyn, dat sulcx den schaker geensins en soude verlossen van de straffe des doots, uyt redenen, dat hy niet en heeft gehadt de bewilginge van de ouders, ofte de gene die macht over de deerne waren hebbende. (L. Vnic. C. de raptu virgin. Sive volentibus, sive nolentibus virginibus, sive alijs mulieribus tale facinus fuerit perpetratum.) Indien nu yemant, soodanigen macht hebbende over eē jonge dochter, aen eenigen jongelingh toestont, de selve tot hem te mogen nemen, schoon sy daer tegen streefde, en dat hy sulcx in 't werck stelde, soude niet de jongelingh konnen seggen, by hem geen ontschakinge te zijn gepleeght, als niet konnende geseyt werdē by hem met gewelt ontvoert te zijn, dat hem te voren al eygē was gemaeckt, door den genē die sulcx vermochte te doen? Want koomt de bewilginge van de dochter in geen achtinge, als hy die met harē wille ontschaeckt heeft, om hem vande straffe des doots te verlossen, vermits hy niet en heeft gehadt de toe-stemminge van de ouders, soo en moeste (soo het schijnt) aen de andere zijde de onwille van de dochter niet beswaren den sodanigen, die gehadt heeft den wille van de gene die over haer en haer lichaem te seggen hadde. Doch hoe men sulcx kan of soude mogen duyden, ick houde verre het beste te wesen, dat alle dese en diergelijcke saken met bewilginge en goetvindē niet alleen van de ouders, maer oock van de jonge lieden ter eender en ter anderer zijden gedaen werden, anders sietmen veel ongemacken uyt het tegendeel, en veeltijts een gansch droevigh besluyt. Phi. Ick sie, goede Sophronisçe, dat ghy my somtijts wat oeffent, en in mijn seggen3. wat spelens geeft; maer dat ghy dies niet tegenstaende de gronden van eē eerlick houwelick set in een wettige bewilginge van man en vrouwe. Soph. In trouwen ja, goede Philogame. En hoe anders? In gedaen saken wort men somtijts gedwongen, niet na raet, maer na noot te doen; maer het stuck noch in syn geheel wesende, en moet men geensins afwijcken van de oude gront-stagē van eenigh dingh. Ende tot bevestinge van t gene ghy, nopende de droevige uyt-komste van 't gewelt van desen aert te voren geseyt hebt, koomt my te binnen een geschiedenisse, die ick tot naerder bescheyt van ons gevoelen hier wil verhalen. Ladislaus koningh van Napels, eē kloeckmoedigh krijghs-man, maer even-wel mede een in-volger van syne dertele wel-lusten, door een wel aen-geleyt belegh hebbende benaut de stadt van Florençen, in soodaniger manieren, dat de selve alle ure stont, door verdragh ofte gewelt, in syn handen te vallen, liet hem even-wel payen, en nam aen op te brekē, indien men hem liet toe-komen een jonge deerne in de selve stadt woonende, vermaert van sonderlinge schoonheyt. De Overheyt het stuck in beraet hebbende geleyt, vont ten lesten geraden, door het ongelijck van eenen borger het ongeluck van de geheele stadt af te koopen. De jonckvrouwe, by den koningh begeert, was een dochter van een voortreffelick Medecijn, en syn konstes halven seer vermaert in dien tijt. Deselve vervoert en als uytsinnigh, vermits soo schandelicken ongelegentheyt, hem in syn dochter op-gedrongen, nam by sigh selven op een selsaem en hart voor-nemen. Want terwijlen dat een yder besigh is syn dochter met kleederen, juweelen, ende andere verçierselen schoon voor te doen, om haer alsoo den overwinner toe te senden, en de selve aen hem dies te aengenamer te maken, soo bracht hy onder andere te voorschijn een kostelicken neusdoeck, in reuck en kant-werck uyttermaten behagelick, ten eynde om haer te dienen in de eerste by-een-komste met den voornoemden koningh, een stuck huysraets dat in soodanigen gelegentheyt in die landen van grooten gebruycke is, en dat daerom noyt of selden vergeten wort. Dese neusdoeck innerlick zijnde vergiftigt, na de hooghste kunste van den voornoemdē Medecijn, en niet te min van seer aengenamen geur, gewreven zijnde aen de beroerde en geopende leden soo van den voorsz. jongen prins, als vande ongeluckige maeght, ten tijde de selve te samē in het bedde verwermt waren, schoot de selve neusdoeck hee vergif soo vinnighlicken uyt, dat harer beyder hittigh sweet terstont in een koude en klamme vochtigheyt quam te veranderē. Wat meer?

Te midden in den brant, en in de vuyle lust Soo is hun bey gelijck het leven uyt-geblust. Haer geesten zyn beroert, haer gansche leden open, En stracx is hun het gift door al het lijf gekropen, En aen het hert gegaen. Daer lagh het jeughdigh paer, En uyt een vrolick bed soo rees een droeve baer.

(Siet een sonderlinge exempel by Plutarch. in Erotico, nempe Cammae. Sinati Galatia Reguli uxoris, & Sinorigis quem illa veneno sustulit, quia ipse Sinatum occiderat, ut ipsâ potiretur.) Siet hier den rechtē loon voor de gene die anders als metter minne een aen-lockende schoonheyt sigh toe soecken te eygenen. En daerom besluyte ick met den Fransman, Tout par amour, rien par force.

Wilje vrouwen herten winnen, Doet het door een geestigh minnen. Wat door kracht hier in geschiet Is de rechte middel niet.

Phi. Maer dat was eē uytsinnige wrake in den Medecijn. De kunste hadde soodanigen werckinge moeten doen, dat syn dochter buyten gevaer hadde gebleven, ende dat de geweldiger alleen de straffe van syn overmoet en vuyligheyt hadde gedragen. Soph. Ghy siet, weerde Philogame, hoe diep aen de ouders soodanigen oneere van haer dochters ingaet, en datse haer eygen vleesch en bloet in dien gevalle niet en verschoonen. Gedenckt eens aen het gene Virginius dede, als Appius Claudius (Val. max. lib. 5. ca. 1.) syn dochter mede door gewelt (schoon onder schijn van recht) sigh meynde toe te eygenen, om syn lust daer aen te plegen. Sneet hy haer niet met een vleeschhouwers mes dē stroot af, sonder den genen die het quaet broude te rakē ? houdende den selven genoegh gestraft, hem van syn verhoopte lust te berooven, eñ liever hebbende dootslager te zijn van een maeght, als vader van een geschoffierde. Phi. Maer ick vinde, dat eenige natien4. het fenijn al kunstiger hebben weten te handelen, als de voorsz. Medecijn dede. Want eenige (soo men verhaelt) wisten te wege te brengen, dat een schoon vrouwen lichaem metter tijt soo konde vergiftight werdē, dat het selve, gesont en fris blijvende, de gene die het selve in oneere wilden genaken, dadelicken den lust en het leven met een quamen te verliesen; gelijck verhaelt wert, dat Alexander de Groote by een seker Indiaensen koningh een soodanigen jonge deerne is aen-geboden geweest, wel schoon tot verwonderens toe, maer in de leden door fenijn soo meesterlick doorwrocht, dat sy, selfs sonder letsel blijvende, Alexander dē doot soude hebbē aengebracht, in gevalle hy maer eens bestaen hadde haer in 't bedde te genaken; het welck vermoedelick soude hebben gheschiet, indien Aristoteles sulcx niet tijdelick en hadde ontdeckt, ende den helt van den listigen aenslagh hadde gewaerschout. (Cam. 3. part. hist. med. Cap. 69.) daer hy verhaelt, dat soodanige lichamen soo seer door het vergif konnen ingenomen werden dat, de selve onbeschadight blijvende, de vliegen die daer aen komen te suygen dadelick sterven. Maer de kunste van fenijn - menginge van mijn voor-nemē niet wesende, wil ick die daer laten, en vorder gaen tot nutter saken, en die hier beter op slaen. Hier voren dunckt my van u gehoort te hebbē, dat de rechten, soo wanneer een jonge deerne (oock met haren wille) vervoert wert, den jongelingh sulcx doende efter niet ontschuldigh en houden van ontschakinge ende vrouwe-kracht. Dat klinckt my al vry wat vreemt in de ooren, en is tegen den gemeenen regel, mede-brengende dat den willigen geen ongelijck en geschiet. Soph. En laet u dit soo selsaem niet dencken, lieve vrient. Want ick stelle vast,5. dat een jongelingh ofte ander mans-persoon een jonge deerne vervoerende, schoon sy tot sulcx selfs bewillight heeft, jae schoon sy selfs sulcx mochte versocht hebben, echter voor een ontschaker moet gehoudē werden, ende de straffe daer van naer rechtē verdient heeft, gelijck ick hier te voren daer van wat begon te gewagen. Phi. Maer dat is een ongerijmde wonder-reden na my dunckt. En waer sagh men oyt soodanigen exempel? Soph. Een ongerijmde wonder-reden, jongelingh? En waerom soo? Of en weet ghy niet, dat de rechten uytdruckelick alsoo spreken, vast stellende, dat de bewilginge van een ontschaeckte deerne den ontschaker niet en verschoont, dewijle sodanige deerne, onder ouders ofte vooghden zijnde, niet en wert verstaē te mogen willen, als geen wille hebbende, ofte haers willens niet machtigh wesende; gelijck als hier voren mede is aengeroert. En wat d' exempelen hier van belanght, het gedenckt my seer wel, dat hier in ons lant is geweest een dochter van een voortreffelick persoon, en doen ter tijt een aensienlicken staet bedienende, de welcke, na hare vervoeringe, met den persoon die haer vervoerde gevangen zijnde, verklaerde de waerheyt sulcx te wesē, dat sy selfs eē wagen hadde gehuert, en, met haer kamer-maeght daer op sittende, den jonck-heer (die haer werde geseyt ontschaeckt te hebben) selfs hadde versocht de reyse met haer te willen doen, soo als het naderhant geschiede. En des niet tegenstaende de vader van de selve jonck-vrouwe scherpelick aenhoudende, ten eynde datter recht en straffe geoeffent soude werden, hadde het stuck soo verde gebracht, dat het Hof in pointen stont, om den jonckheer van levenden lijve ter doot te wijsen, en sulcx ware sekerlick al geschiet geweest, ten vvare de vader, door tusschen-sprekende vrienden versacht zijnde, af hadde gelatē van syn vervolgh, en dat daer op vergeef-brieven voor hem bekomen waren geweest. Phi. Gewisselick, Sophronisçe, isset alsoo gelegen met jonge deernen, soo dienen alle jonge lieden de handen wel t' huys te houden, immers niet te bestaē, dan met wille en voor-wete van de gene die hier in te seggen hebben. Maer nu vrage ick, Of na rechten of om goede redenen van State tusschen eē ontschaeckte dochter en harē ontschaker een houwelick (sulcx versocht werdende) behoort te werden toe gelaten? Soph. De vrage is wel te passe aengeroert, en dienstigh ondersocht te werdē, lieve Philogame. Ende hoe-wel daer op veel geseyt kan werden, soo is dit mijn ront gevoelen, te wetē, schoon al isset soo, dat voor soodanige houwelickē uyt de geestelicke rechten al eenige plaetsen konnen werden in-gebracht (als cap. ult. extra. de raptorib.) by welcke schijnt toe-gestaen te werden, dat tusschen den ontschaker ende ontschaeckte houwelick magh vallen, by soo verre de onwilligheyt van de ontschaeckte in bewilginge koomt te veranderen; dien nochtans niet tegenstaende, soo meyne ick dat het keyserlick recht beter doet, sulcke houwelicken geheel en al af te schaffen (L. Vnic. C. de rapt. Virg. Novell. 143. & 150.) ende de selve niet toe te staen, schoon de ontschaeckte deerne sulcx naderhant goet mochte komen te vinden; gelijck oock eenige plaetsen in de geestelicke rechten daer toe leggen (c. placuit. & c. de puellis 36.4.2.) De redene daer van is rechtveerdigh, dewijle de ontschaker vyantlickerwijse, ende niet na den aert van't houwelick syn saken heeft aen-gevangen, het welck oock den schaker gansch hatigh moet maken in het herte van de gene die met gewelt haer eere ontnomen is. 6. Phi. Maer my dunckt by de Philosophen gelesen te hebben een anderen regel, die een seker Poëet aldus heeft uyt-ghedruckt:

Het is van onts gelooft, dat alle jonge vrouwen Hem die haer maeghdom nam in eer en weerdē houwen; Maer dat een jongh gesel het wijf gemeenlick haet, Die uyt een geyle lust met hem te belde gaet.

Ad haec Ioh. Nevizanus in Sylva nuptiali lib. 2. num. 41. Mulier (inquit Philosophus 4. parte, Problem. 11.) semper plus diligit virum, à quo deflorata fuit, quia ab eo perfectionem suam accepit; imò & locum diligit, in quo id factum. In viro vero contrarium obtinet. Soph. Maer dat wort hier gansch qualick in-gevoert. Want het selve en is niet te verstaen, dan als een jonge deerne, geprickelt van eē gulle jeught, haer vernoegē ontfanght vā eē diese daer toe uyt liefde verkorē heeft, en niet die hare eerbaerheyt gewelt doet. Phi. Dat houde ick de waerheyt te zijn, Sophronisçe, en daerom soo keert weder tot de sake. Soph. Boven dat nu geseyt is, soo is het oock van seer quadē gevolge in eē Staet, yemant een dochter te laten gewerden door gewelt, die hy metter minne en behoorlicke middelen niet en heeft konnen bekomen. Welcke redenen van State (mijns oordeels) behooren te overwegen de insichten van yemant in 't bysonder, ten eynde de woeste en onbetoomde jonckheyt geen aenleydinge en werde gegevē tot soodanige onbehoorlicke manieren van doen, die wy met droefheyt in onse tijden by wijlen hebben moetē aensien. Phi. Ick gevoele mede alsoo, lieve Sophronisçe. Want al ist soo, dat ick sie dat dit hart is, ten aensiene van een deerne die haer eere heeft verloren, haer het houwelick met harē ontschaker af te snijdē, so sie ick wederom aen de andere zijde, dat het goet is voor het gemeen. En 'tis seker datmē hinder doet aen de vrome, soo men een boos-wicht niet en straft. Maer daer nu de rechten, ofte 't gebruyck van den lande sodanige houwelicken toelaten, segh my doch, isset na u meyninge een vrou-mensch oock geraden harē schaker voor haren man aen te nemen? Soph. Die vrage is vry mede van bedencken, en weerdigh ondersocht te werdē ; maer alsoo wy nae desen in dit werck noch een andere geschiedenisse sullen ontmoeten, daer dese en diergelijcke stoffe met beter gelegentheyt verhandelt sal konnē werden, soo meyne ick beter te zijn, het vraegh-stuck, by u aengeroert, voor als noch daer te laten, en te letten, watter nu in het werck, by ons begonnen te lesen, is volgende.

Phi. Daer volght nu, naer ick sie, het houwelick van den koningh David en Abigaïl, weduwe van den stuerschen Nabal. Soph. Die geschiedenisse, hoe-wel niet bestaende in seer uytmuntende gevallen, is mede van soet bedencken. Maer de tijt nu seer verloopen zijnde, dunckt my beter te zijn, het werck hier by te laten, tot op een andere gelegentheyt. Phi. Ick bid u, weerde man, laet ons dese geschiedenisse ter hant nemen, en de bedenckinge daer uyt rijsende op de preuve setten. want daer mede sullen wy de geschiedenissen, die uyt de Schrifture ontleent zijn, uyt-gelesen en ten eynde gebracht hebben, en dan mogen wy op een anderen tijt het ooge laten gaen over saken die uyt andere schrijvers haren oorspronck nemen. Soph. Wel aen, dewijle het u soo gevalt, Philogame, soo gaet oock voort tot dese geschiedenisse, doch laet ons der kortheyt bevlijtigen. Phi. Ick ben des te vreden, Sophronisçe, en daerom begin ick.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Trouringh · Jacob Cats · Poetry Cove