Skip to content
1637

Trouringh

Jacob Cats

Tovts Op 't houwelick van koningh Vlderick met Phryne Bocena:

dat is, Van een harder des volcx met een harderinne van schapen.

Kort begrijp van den selven.

1.OF groote prinçen wel doen, sigh in houvvelick met gheringe personen te versellen. 2.Of gelijckheyt van gebreken goet is tot eendracht van de houwelicken. 3.Of het beter is dat een gierigh, een quistigh, een haestigh man neme een milde, een suynige, en een langhmoedige vrouwe; dan of de selve in gelijckheyt van gebreken met hem dient te staen. 4.Of een geset en vast gelaet de jonge deernen beter past, als de schaemte: en of sulcx oock plaetse heeft in hoofsche jonckvrouwen. 5.Of men op het oogh, of wel op het oir behoort een partuyr te verkiesen: ende van de vordere preuven die voor een houwelick dienen te gaen. 6.Het queesten in sommige quartieren van Hollant gebruyckelick, wat het zy. 7.Of hy min sondight die met een schoone vrouwe sigh verloopt, als die met een mismaeckte sigh ontgaet. 8.Bedenckinghen op de schoonheyt der vrouwen.

Philogamvs. DIt was een groot houwelick voor een geringe harderinne, en voor my soo isser groote twijffelachtigheyt of by koningh Vlderick hier in wel of qualick gedaen is: ick vvensche u oordeel hier over te verstaen, ick bids u seght my des u gevoelen, ick wil u sonder tusschen-sprake geheel uyt-hooren. Soph. Wel indien het u soo gevalt, ick wil kortelick mijn redenen voorstellen: ghy kont daerna de uwe in-brengen, soo ghy sulcx goet vint. Op 't ondersouck dan van 't houwelick in1. desen geroert koomt eygentlick in bedencken, of het prijselick is dat vorstelicke en andere voortreffelicke personen sigh in houwelick versellen met dochters van geringe afkomste; en dat ter sake van schoonheyt van leden, bevalligheyt van wesen, ofte diergelijcke: al het welcke by wijlē geschiet te zijn, selfs met goede uyt-komste ende tot verneugen van die sulcx gepleeght hebben, getuygē de historien van alle tijden. Assuerus groot-vorst van Persen en Meden (anders Artaxerxes ghenaemt) met Ester eene van de gevangen Iodinnen, om haer schoonheyts wille in houwelick getreden, heeft wel ende geluckelick met haer ende sy met hem geleeft, als uyt hare historie onder de boecken des ouden Testaments te sien is: Aspasia een arme maeght by Cyrus soo verre bemint, dat hy de selve als een gesellinne beyde syns beds en syns rijcx heeft aen-genomen, dede haren heer en man het hooghste vergeneugen van haer genieten; als van gelijcke desselfs volger in't rijck. (gelijck AElianus in't twaelfde boeck syner historien is getuygende.) Een Marquis van Saluçen op de jacht wesende, en seker huysmans dochter haer vaders vee weydende in 't velt ontmoetende, heeft soodanigen bevallickheyt in haer gevonden, dat hy sigh aen de selve in echte wettelick heeft verbonden. (als AEneas Silvius 1. Epist. 45. is verhalende.) Meer exempelen souden over dese gelegentheyt konnen werden by-ghebracht; doch de vrage hier niet zijnde of sulcx geschiet is, maer wel of sulcx nut en dienstigh is gedaen te werden, soo staet vorder op de redenē van soodanigen bedrijf hier op kortelick te letten. 'Tis wel waer (soo na de geschreven rechtē, als naer het gebruyck der volckē onder de welcke wy woonen) dat slechte en geringe vrouwē in houwelickenstate sigh versamelende met edele ende welgeboren mans, door soodanigen houwelick werden verstaen veradelt te werden: dewijle de vrouwe harē glans en luyster wort geseyt te krijgen door de eer-stralen van de man: in vougen dat soo haest een koningh of prinçe sigh in trouwe koomt te vereenigen met een geringe vrou-persoon, de selve dadelick niet meer geringe en onedel, maer verheerlickt en veradelt wolt verstaē te wesen; sulcx dat daer door de ongelijckheyt soude mogen schijnen wech genomen te zijn. Desen evenwel niet tegenstaende soo gevoelender vele dat niet geloochent en kan worden, of prinçen (soodanige geringe personen aenslaende) werden verstaen te verduysteren (immers te beschaduwen) den glans ende luyster van haerder vorstelicker af-komste. Waer by komende dat de verstandige van alle eeuwen in 't stuck van 't houwelick altijt hebben geoordeelt, dat gelijckheyt van gelegentheyt en staet de beste gronden zijn van onderlinge vrientschap en eenigheyt in dese versamelinge: ende in tegen-deel van dien dat lieden van verscheyde op-voedinge, of middelē, of beroep, gansch beswaerlick wel te samen zijn te vougen: ofte alreets gevought zijnde, telcken op voor-vallende ongelegentheden lichtelick tegen den anderen uyt-vallen, ende ontspringen in allerley onstuymigheyt ende bitterheyt; soo houde ick best te zijn, oock hier dien algemeenē regel vast te stellē. Phi. Ick bekenne dit veel gebruyckelick geweest te zijn onder de meeste volckē: ende 't magh zijn dat hier op gesien is geweest by die van Calicutia ende andere omleggende natien, die met de gront-wetten van haren staet duydelick hebben doen vast stellen, dat geen edel-lieden met on-edelen sigh in houwelicke soudē bestaen te versellē. Maer even-wel soo loopt hier op (mijns oordeels) dit bedencken, of niet een man (een vrouwe trouwende van minder gelegentheyt als hy is) niet dan met meerder eerbiedinge van de selve en wert bejegent, dan of hy syn meerder ofte syns gelijcke genomen hadde; alsoo het schamper woort, Madame vaut bien Monsieur, daer mede schijnt wech te zijn genomen. Soph. 'T en gaet niet vast, lieve Philogame, dat vrouwē van nederige gelegentheyt en af-komste sigh des gevougelicker stellen onder het gebiet van haren man, dewijle men soo veel exempelen is vindende die het tegen-deel uyt-wijsen. Het wijf van Fulvius uyt de slavernije tot soo een eerlick houwelick verheven zijnde, heeft niet gelaten haren man trotselick te bejegenen, jae opentlick te beschuldigen. Fulgos. lib. 5. cap. 3. Taura eens armen huysmans dochter by Cato in houwelick aengenomen, heeft onvriendelick en met hardigheyt met hem omgegaen. Plutar. in't leven van Cato. Ager noch maer een by-sit wesende, soo haest sy bevrucht wert, is trots geworden, en pleeght hooghmoet, en stoort de gewoonlicke ruste in 't huys van Abraham. Genes. 16.4. Ende diergelijcke exempelē van den ouden ende nieuwen tijt konnender meer by werdē gebracht. Soo besluytē wy dan andermael, dat het voor koningen, prinçen, ende soodanige verheven personagien, ongelijck bequamer is, hier in mede te volgen den voorsz. gemeenen en ouden regel: en dattet daerom best is, dat mieren met mieren (gelijck de ouden seydē ) en dat elefanten met elefanten te samē paren: dewijle dat gelijckheyt van gelegentheyt is de rechte en eygen moeder van eendracht ende onderlinge goetwilligheyt, en ongelijckheyt van het tegen-deel. De schepper aller dingen, ende de in-setter des houwelicx, heeft ons van den beginne dien grontsteen geleyt, Laet ons (seydt hy) den mensche een hulpe maken die hem gelijck zy. Hier op dan te bouwen en te trouwen stelle ick best te wesen. Phi. Ick en vinde geen redenen om u in desen seer tegen te sprekē: en segge daerom tot bevestinge van 't gene by u geseyt is, dat ick onlanghs een soet geval las dat hier by kan dienen. Een eerlick jongelingh goede kanse siende om voor hem tē houwelicke te mogen bekomen van drie vrijsters eene; te weten, een dochter van adel, of eene van grooten rijckdom, ofte eene van syn eygen ghelegentheyt (door de eerste konde hy hoogelick gevordert werden, door de tweede konde hy geraken tot in-koop van ampten en staten (als in Vrancrijck geschiet) door de derde konde hy gelijckmatigheyt van gelegentheyt bekomen dat (als geseyt is) soet eñ aengenaem wert geoordeelt) niet konnende by sigh hier op besluyten, vraeght raet aen een out en wijs man: die wijst hem nae de mart daer de kinderen te samē haer vermaeck namen op haer maniere, die terstont op syn aen-komste hem toe-riepen niet met hem, maer met huns gelijcke te willen spelen: 't welck hy op-nemende sigh tot een lesse, voughde hem met syns gelijcke, na den raet van den Philosooph Cleobulus. En wat de nieuwe schrijvers aengaet, don Antonio de Guevara stelt van gelijcke vast, dat het de sekerste regel is om minnelick in den houwelicken-staet te leven, dat een man neme soodanigen vrouwe, en de vrouwe soodanigen man, die hun meest gelijckt in geslachte, in staet, en oock in middelen. Want (seyt hy) in gevalle van ongelijckheyt in dese saken, die de minste is sal onverneught leven: en die de meeste is sal ghevvis berou hebben. Een koopman die syn dochter houvvelickt aen een ridder, en een rijck huysman die syn kint geeft aen een edelman, die brengen gewisselick in haer huysen uyt-roepers van hare gebreken, krenckinge van haren goeden naem; en dat meer is, ghemeenlick oock verkortinge van haer eygen leven. &c. Soph. By de redenen van dē Spaengjart by u verhaelt, wil ick vragen het bedencken2. van een Hollander: welcke twee natien hoewel nu een lange wijle seer onderlinge oneenigh zijn gheweest, even-wel in dit stuck gansch eendrachtigh bevonden werdē. Onsen Erasmus mede seer prijsende de gelijckheyt inde houwelicken, verhaelt een sonderlingh exempel tot aenradinge van de selve. Hy seydt, datter een seker eerlick man, een Engelsman wesende, soo qualick aen de beenen gestelt was, dat hy gedurigh in een stoel gedragen moest werdē ; de selve des niet-temin sigh ten houwelick genegen vindende, troude een vrouwe die blint was. De redenen van sulcx syns doens gevraeght zijnde, Op dat wy te beter over een souden dragen (antwoorde hy;) want elck van ons syn gebreck wetende en bedenckende, soo en sullē wy malkanderen niet hebben te verwijten. 'T is even na syn seggen uyt-gevallen; want sy hebben onderlinge vvel en vreedtsamelick geleeft, ende zijn daerenboven met elf kinderen van Gode gesegent geweest, de welcke alle gesont van leden, ende wackere jonge-lieden zijn geworden. Om dese redenen hebbē de Grieckē van outs voor eē spreeckwoort gehadt, dat arm met arm, ballinck met ballinck, en een dienst-knecht met een slavinne behoorden te houwelicken, om alsoo best eens te wesen. En hier toe dient het gedicht gemaeckt op het exempel van Antiphilus een oudt Griecx poëet. (Cypraeus de Sponsalibus cap. 13. §. 69. Num. 2.)

Een krepel nam een blinde vrou, En 't vvas hun beyd' een nutte trou;

Het vvijf dat drough den swacken man, Vermits dat hy niet gaen en kan: En hy vvees haer een rechte baen, Daer sy alleen niet konde gaen. Siet dus soo leefd' het soete paer, En daer vvas vrientschap onder haer.

Phi. Ick sie dat dit oock by de Françoysen soo goet wert gevonden: haer spreeckwoort wijst sulcx uyt, A un boiteux, femme qui cloche. Sulcx dat ick besluyte, dat ghelijckheyt van gelegentheyt in desen deele veel vermagh tot t' samen-vouginge van de gemoederen. Ick hebbe van een gheloofweerdigh man verstaen, dat, ten tijde de stedē van Vlaenderen voor desen staet en tegen Spaengjen hielden, seker eerlick jongelingh aldaer ten houwelick versochte een jonge dochter die schoon ende lieffelick was, en dan noch van meerder middelen als den versoecker: ende daer op wert het versochte houwelick hem afgeseyt. Kort daer nae als de stadt van Gent by den Prinçe van Parma gewonnen was, ende veel rijcke en vermogen luyden in Vlaenderen alle hare middelen door den oorloge verloren hadden, geviel het datter veel van de selve in Engelant haer woon-plaetsen gingen nemen, en onder andere mede de ouders van beyde voorsz. gelieven: de welcke sigh in't voorsz. koninghrijck quamen te bejegenen in een en de selve herberge, alwaer die beyde (als meest al het hare verloren hebbende) wierden onthaelt in een slecht vertreck. De jonghman op dese gelegentheyt acht slaende, en de voorsz. jonge dochter wat ter zyden genomen hebbende, seyde haer, dat sy hem niet en hadde mogen gebeuren, ten tijde hare ouders wistē rekeninge te maken dat hy minder was in rijckdom als sy; dat nu het ongeluck van dē tijt hare ouders ter weder zyden genoughsaem al het heure hadde af-genomen; sulcx datse nu dienthalven in gelijckheyt stonden: dat onder dies syn goede genegentheyt op haer was blijven staende, en staende soude blijven (soo 't haer maer en geliefde) voor eeuwigh: dat sy nu in een vreemt rijck was, en wel hulpe van doen hadde; dat hy de gene was die haer synen dienst van nieus aen-boot, en met een syn trouwe. In't korte, hy wister soo veel toe te seggen, dat de voorsz. ongelegentheyt hem de gelegentheyt aen-bracht; want eerst de dochter op 't wel behagen van haer ouders, ende dadelick daer na de ouders selfs de saken goet gevonden hebben: sulcx dat uyt het voorsz. ongeluck quam te volgen een geluckigh houwelick, met groot verneugen ter weder zyden, ende aen-was van middelen hen lieden by den goeden God in't voorsz. rijck verleent. Soph. Wy zijn dan hier in tot noch toe eens, soo ick sie: maer desen onvermindert ben ick van gevoelen, dat selfs ongelijcke houwelicken door eenige goede hoedanighedē aen de eene zyde meer als aen de andere zyde wesende, tot gelijckheyt gebracht konnen werden. Als by exempel, soo wanneer een geleert jongelingh, eē kunstigh meester in syn bedrijf, ofte diergelijcke, ten houwelicke koomt begeeren een vryster van meerder middelē, van aensienlicker gelegentheyt, ofte yet sulcx; dit meyne ick geen ongelijck houwelick genaemt te moeten werden, gelijck onsen Erasmus mede sulcx oordeelt. Maer dat meer is, de selve Erasmus meynt datter een sekere sorte van ongelijckheyt van3. aert onder de gehoude somtijts geheel dienstigh is voor de huys-houdinge: te weten, als een man wat quistigh, of wat te bly-moedigh, of wat te wacker zijnde, gegeven wert aen een sparige, stille, en gesette vrouwe. Dit oordeelt Erasmus, een goede temperature te maken. Daer toe oock dienen de volgende versen:

Indien een quistigh man speelt over al de gilde, Ghy, moeder van het huys, en zijt dan niet te milde; Of soo misschien u man de beurs geduerigh sluyt, Soo geeft wanneer het dient een weynigh ruymer uyt. Indien hy wat te licht tot morren is genegen, Soo laet u soeten aert syn stuerheyt overwegen;Vt aqua vino admixta reddit illud moderatius, & sobria Nympha deum temulentum compescunt; sic in matrimonio fervorem mariti uxor tepida temperet. Plutarch. Of gaet hy wat te sacht, of, ick en weet niet hoe, Soo maeckt dat u beleyt daer peper onder doe. In 't kort', het echte paer dient over-hant te leven; Al wat hier yemant schort dat moet een ander geven: Het soet versacht het suer, het suer dat wett' het soet; Soo ist dat hier de kock de sauce mengen moet.Eyeren met beyeren (seyt het spreeckwoort) is den houwelicken staet.

Phi. Wat is nu u vorder bedencken op dese geschiedenisse? Soph. Ick mercke dat Phryne Bocena als vreesachtigh, eerbaer, en beschaemt hier wert voor-gestelt, ende dat de selve in die gestalte de genegentheyt van dē koningh des te meer tot haer heeft ghetogen; in vougen dat de selve eyndelick, tot haerder eeren, uyt soo lagen en geringen staet tot koninginne is verheven geworden. Phi. Wat besluyt meynt ghy hier uyt te maken, goede Sophronifçe? Soph. Geen andere, lieve Philogame,4. dan datter niet beter en vought aen alle jonge deernen, als schaemte ende een eerbaer en stil wesen. Phi. Maer dat en is geensins na de wijse van de hoven en de maniere van leven aldaer, weerde Sophronisçe; maer sulcx wert huyden-daeghs gerekent voor een over-blijfsel van de slechte ende eenvoudige werelt: daer in het tegen-deel een geset en vast gelaet, dat sonder verbleyckē of verblosen een reden wel ten propooste weet uyt te brengen, voor wie het soude mogen wesen, voor recht hoofs wert gerekent; gelijck eē yder, die oyt by noofsche jonckvrouwen sigh heeft laten vinden, dagelicx gewaer kan werden. Soph. 'T en is niet geheel langh geleden dat ick op dese gelegentheyt, in seker goet geselschap wesende, hoorde een onderlingen reden-strijt tusschen een verstandige hoofsche jonckvrouw en een soet gheleert jonghman, die op dit stuck niet eens van gevoelen scheen te wesen: de jonckvrouwe drijvende, dat het de jonge dochters beter voughde vast, geassureert, en resoluyt (gelijck sy sprack) in haer doen en seggen te wesen, als blood' ende vreesachtigh te zijn, ende bykans op yder woort schaem-root te werden: en dit sonderlinge ten aensiene van de gene die te hove ofte anders by deftige luyden dagelicx hebben te verkeeren. De jonghman hiel het tegen-deel, ende socht door syn redenē vast te maken, dat schaemte, stilheyt, en neerslachtigheyt alle jonge vroulieden sonder onderscheyt beter voughde. Phi. Ick hadde dit discours wel eens willen hooren, en dewijle sulcx niet vallen en kan, maeckt my deelachtigh (soo het u belieft) watter omgingh. Soph. Daer werden goede redenen ter eender en ter anderer zyden by-gebracht, en de jonckvrouw en bleef vry aen den joncker niet met allen schuldigh. wantsy was verstandigh, wel-sprekende, en daer toe ervaren in sodanige bejegeninge. 'T sou te langh zijn alles op te halen watter geseyt wert: maer dat my in dese reden-kavelinge wel beviel, was, dat de jonghman onder andere sakē bybracht, dat alle oude ende verstandige schrijvers, als poëten, en diergelijcke geesten die werck maken van wel te konnen oordeelen van de gaven die de jonge juffrouwen best vougen, dat segh ick de selve altijt voor een gewoonte hebben (als sy een frissche maeght op haer aengenaemste willen af-beelden) de selve te beschrijven, datse by yemant aengesproken wesende, en sonderlinge by mans-personen, t' elcken eenigh teycken van eerbiedigheyt van haer geeft, datse eē soet blosjen krijght, d'oogen neder-slaet, ende geensins en toont die vastigheyt in haer wesen, die te hove gepresen wert. Daerom siet men in dusdanige gelegentheyt dat Virgilius, Ovidius, Statius, ende andere poëten, sprekende van jonge deernen, aldus spreken:

Sy kreegh een soeten blos; en als de vrijsters blosen, Dan sien wy haer gelaet vry iever als de rosen.

De juffer stont verbaest, en liet haer gulde stralen Van schaemte neder gaen en op der aerden dalen; Sy bleef in desen stant al vry een lange poos, Dies was haer soet gelaet gelijck een versche roos.

Phi. Maer spreken dese oock van de hoofsche jonckvrouwen? Soph. Ick segge jae, ende dat sulcx by de selve oock wert gedaen ten aensiene van de gene die in hoven van prinçen zijn verkeerende. Phi. Maer sy zijn misschien selfs niet seer hoofs geweest, maer wel goede bouckmans, en anders niet. Soph. Gelooft dat, soete Philogame; maer wilt ghy hovelingen selfs hooren spreken, ick weet u geholpen. Een groot hovelingh (don Ant. de Guevara Epist. ad Mosen Pache.) heeft op dese gelegentheyt eertijts aldus geschreven: Ick stelle vast, dat aen een vrouwe die eerbaer in beschaemt is, vveynigh is te berispen: vvederom. dat aen eene die onbeschaemt is, niet met allen en is te prijsen: in vougen dat het beste houvvelicx-goet, het beste besterf, het beste juvveel datse hebben kan, is, beschaemt en sedigh to vvesen. En een ander hovelingh ten naesten by van onsen tijt (Mich. de Montainge liu. 3. chap. 5.) seyt aldus: Onse voor-ouders beleyden het gelaet en het geheel vvesen van jonge deernen tot vreese en schaemte, en haer gemoederen en driften van ghelijcken; vvy in tegen-deel tot stoutmoedigheyt en onversaeghtheyt. Gevvisselick vvy en verstaen ons stuck niet met allen in desen deele. De Sarmaten gaen soo te vverck, die geen vrijster toe in laten een man te nemen, ten zy de selve alvoren met eyger hant een van de vyant om den hals heeft gebracht. Daer is tot dien eynde aen-merckens weerdigh, dat de keyser Theophilus verkiesinghe vvillende doen van een vrouwe voor hem selfs, uyt een groot deel van de uyt-nemenste maeghden, daer toe by een gedaen versamelen, stont als gereet om een gulden appel, die hy in de hant hadde, te geven aen eē jonge ende geleerde maeght Icasia ghenaemt, tot een teycken dat hy de selve voor syn gemale was verkiesende: maer de selve op sekere reden die hy voor-wierp hoorende spoedelick en met een geset wesen antwoorden, veranderde dadelick van voornemen, en gaf den selven gulden appel aen een andere jonge vrijster Paphlagonia geheeten, die met een stil en sedigh gelaet benevens haer was sittende: waer door de voorsz. Icasia soo was verbelght, dat sy, haer selven als verknijsende, haer in een klooster begaf, met een af-keerigheyt van alle houwelicken. Siet Tiraq. l. 9. connub. nu. 152. Cyprae. cap. 11. & alibi. Phi. Maer aen een anderen vorst soude misschiē eē deftig en recht prinçelick wesen in syn toe-komende gemael wel bevallē hebben, als beter passende op den staet van een prinçesse, als die in-getogenheydt en beschaemtheyt daer ghy van spreeckt. Soph. Wat een ander mochte gedaen hebben is onseker, lieve Philogame; maer dat is seker, dat dese en andere prinçen oock in haer eygen vrouwen die stoutmoedigheyt voor verdacht houden, vermoedelick sulcx hun by haer Raden ofte jeught-bestierders zijnde in-geprent; dewijle dat die van de leere der zeden oyt hebben geschreven, als mede de gods-geleerde, even zijn van dit selve gevoelen. Dese vrouwe (seyter een) houde ick voor de wel-sprekenste die (alsse tot manne-volck te spreken heeft) met een eerbaer root haer geheele vvangen over-stort, en die door verbaestheyt en schaemte de vvoorden koomen te ontbreken. Vives de Christ. matr. lib. 1. cap. quomodo foris aeget mulier. Eerbaerheyt moet door schaemte verciert vverden: en (dat het bysonderste in de vrouvven is) laet sedigheyt de hooghste vvesen onder uvve deughden. Hieron. ad Celant. lib. 20. epist. 20. Phi. Wel ick wil dat in syn weerde laten staen, ter tijt toe ghy eens tijt sult hebben my redenen van de andere zijde mede te verhalen; want daer van en maeckt ghy geen gewach met allen: en nochtans seght ghy dat de jonckvrou die het tegen-deel dreef, den joncker niet met allen schuldigh en bleef: en dewijle sy vernuftigh, en wel-sprekende, en daer-en-boven oock ervaren was in die bejegeninge, soo laet ick my duncken datse haer strenge wel getrocken sal hebben. Dan daer van op een anderē tijt, dewijle ick nu geerne u verstant soude hooren op de maniere van doen die hier de koningh Vlderick gebruyct, ende die in oude tijden de koningh Assuerus, ende gemeenlick de groote vorstē van Moscovien zijn gebruyckende; dat is, een groot deel van de schoonste vrouwen te samen te brengen, om eene uyt de selve tot een vrouwe te verkiesen. Wat my aengaet (om dat voor af te seggen) is dit een sake van de hooghste macht, en van de meeste vermakelickheyt die een groot prinçe in al syn heerschappijen magh hebben: dat is, uyt alle de schoone van het lant de schoonste van allen sich selven te mogen toe-eygenen. Soph. Ghy valt vvederom op de schoonheyt, soete Philogame, als ghy oock5. t'anderen tijden hebt gedaen: en daer toe sal oock hier wat geseyt konnen werden. Dan wat de verkiesinge selfs aengaet, die sie ick dat in dese gelegentheyt alleen by het oogh geschiet: dat is, dat men alleen syn ooghmerck heeft wie de aengenaemste van huyt is, sonder meer: ende daer op heeft soo een doorluchtigh houwelick synen voortganck. Phi. Wel is dat niet een bysonder voorrecht voor een prins, dat hy sigh magh toeeygenen de schoonste vrouwe van 't geheele rijck? wesende sulcx het aengenaemste dat men op aerdē hebbē kan; dewijle de schoonheyt soo aen-lockende is, dat oock de onredelicke dieren selfs worden bevonden met groote genegentheyt daer toe gedreven te werden: gelijck het my gedenckt sulcx by de natuer-ondersoukers gelesen te hebben. (AElian. lib. 4. Histor. Animalium.) Sulcx dat het een blinde-mans vrage is, te willen onder-soecken, waerom men schoone menschē voor andere lief heeft. Soph. De wijse, goede Philogame, die berispen nochtans de gene die door de oogē, en niet liever door de oiren, bewogen werden een wijf te nemen: dat is, sy oordeelen dat onwijsselick wert gehandelt by de gene die alleen door het uyterlick wesen, en niet door innerlicke goede deughden ende gaven, tot eenigh houwelick werden aengedreven. En als men de sake wel in siet, is het niet een gansch los werck van de prinçē, op een eenigh gesichte, een vrou-mensch die men anders niet en kent als van de uytterlicke huyt, tot een wettigh bed-genoot voor altijt aen te nemen? Phi. Maer ick en geloove niet dat het soo slechtelick by de prinçen af plagh te loopen, oock niet dat de selve het soo op een simpel gesichte hebben laten aen-komen: ghelijck op het exempel van den koningh Assuerus, mijns oordeels, wel kan werden afgenomen. Soph. Hoe soo, Philogame? seyt niet de schrifture, doen Vasthi versteken was dat de jongelingen des konincx seydē: Men soecke den koningh schoonejonge maeghden, ende de koningh bestelde toe-sienders in alle landen synes koninckrijcx, dat sy alderley jonge schoone maeghden te samen brachten, op den burgh Susan in't vrouvven getimmer. Ester 2.2. Siet daer wortet al op de jonckheyt en schoonheyt genomen, gelijck ghy siet dat de text spreeckt: daer by koomt noch, dat Ester aen Hegai des konincx kamerlingh, besorger deser vrouwen, wel beviel; die de selve ten dien aensiene oock voordeel gaf boven andere. Ester 2.4. Phi. Maer men siet mede duydelick uyt de historie van Ester, dat soodanige maeghden geheele twaelf maenden langh moesten als voor-bereyt werden in't vrouwen getimmer, met verçiersel, met reuck-werck en speçerije; en dat al eer de selve tot den koningh in quamen: en dat en liep vry niet af met een simpel gesichte, maer de koningh nam van yder een goede preuve tot in 't bedde selfs, wie hem al daer best aenstont. Soph. Hebt ghy dat alsoo in den Bibel gelesen, Philogame? of kont ghy sulcx uyt de beschrijvinge van de historie beweren? Phi. My dunckt jae, weerde Sophronisçe: want al is't sake dat van 't beslapen van de voor-seyde maeghden niet duydelick en wert geseyt, soo dunckt my nochtans dattet als met handē te tasten is, dat het met de selve even soo is toe-gegaen; want ick sie dat de text seyt, dat als de twaelf maenden om vvaren, ende dat de bestemde tijt quam dat een maget tot den koningh Assuerus komen soude, soo dede men haer (in cieraet) vvat sy hebben vvoude. En vvanneer eene des avonts daer in quam die gingh des morgens van hem in het ander vrouvven ghetimmer, onder de hant Saasgas des konincx kamerlingh, der by-vrouvven hoeder; en sy en moeste niet vveder tot den koningh komen, het en lustede dan den koningh. Ester 2.12. Wat dunckt u weerde Sophronisçe, van dit verhael: te weten, tot den koningh des avonts komen, en des morgens van hem gaen in eē ander vrouwen getimmer, en dat onder de hant van den hoeder der by-wijven, en niet weder te mogen komen ten lustede dan den koningh, &c. wat wil dit anders seggen, als dat de koningh soodanigē preuve van haer nam als ick te voren hebbe geseyt? Soph. Ick en weet niet of dat also vast gaet, lieve Philogame, als ghy wel meynt: ick soude u misschien andere bedenckingen daer op konnen voor brengen, die het tegen-deel souden uyt-winden; maer neemt het daer voor dat het soo geschiet sy als ghy meynt, is dat niet eē slechte preuve om daer op een houwelick te gronden? en dat ghy misschien sout meynen, dat de twaelf maenden hebbē gedient om te lettē op de maeghden te ondersoucken wie sy waren, van wat af-komste, en hoe op-gevoedt, dat is al buyten waerschijnelicheyt; dewijle men niet eer en wiste dat Ester een gevangē Iodinne was, voor datse alreede koninginne was gekroont, Ick segge daerom, dat soodanige verkiesinge te doen op soo lossen preuve, geensins en betaemt, sonderlinge, niet soo verheven personagjen. Phi. Wel dunckt u niet dat het queesten6. van het Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet tot-gaet? Soph. Behalven dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheele andere sake: want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen, ofte sy en kenden malkanderen al vorē door dagelickschen omme-gangh: sulcx dat niet geseyt en kan werden, dat oock de selve alleen sich op de uyterlicke schoonheyt verlieten, daer van in verre nae soo veel niet en wert gehouden als ghy en meest al de jonge lieden doen. Onder andere komt my veel in den sin een plaetse van D. Hieron. (in 2. cap. Malach.) aldus luydende: Devvijle (seyt hy) dat ghy vruchtbare vrouvven hebt, en dat ghy u vermakelickheyt schept in de kinderen by de selve gevvonnen, vvaerom doch schoonheyt gesocht, die voor de hoeren en lichte koyen bequamer is als voor wettige huysvrouwen? En waer mē vā schoonheyt by de rechtsinnige koomt te spreken, soo vint men dat dit woort in 't gemeen vast wert ghestelt, dat de schoone vrouwen veel hooveerdigh en trots zijn, datse gevaerlick zijn voor hare mans, datse verdacht zijn in hare eerbaerbeyt, als in 't ooge spelende van alle man: datse veroorsaeckt onmatigheyt in 't gebruyck van 't houwelicx bedde, het welck veel ongelegentheden aen ziel ende lichaem placht in te brengen, daer van ick hier niet breeder voor als nu en ben gesint te spreken. 7. Phi. Men segge wat men wil, schoonheyt in een vrouwe is een groote gave: en wat de onheylen aengaet daer ghy van ghewaeght, ick hebbe ghelesen, dat yemant die hem vergeet met een vrouwe die schoon is, soo grooten sonde niet en begaet als die hem verloopt by een die mismaeckt is. Basianus in. c. 14. quaest. 6. Iohan. And. in. c. ea quae fiunt. col. 2. de reg. jur. in 6. & alij. Soph. En wat redenen zijn daer toe, lieve Philogame? daer men wel veel redenen voor het tegen-deel soude konnen in brengen. Phi. Hoe, weerde Sophronisçe, isset niet seker dat yemant die door gansch krachtige aen-drijvinge tot sonde verruckt wert, minder quaet doet, als de gene die alleen met ghemeene en slechte bekoringe wert vervoert? Ick sal even soodanigen minder een overspeelder heeten (seyter een oudt-vader) die sich by een koninginne of princesse ontgaen heeft, als die door een slechte sloir tot een val is ghebrancht ghevveest. Een schoone vrou en een ghescheurt schortekleet heeft veel aenstoots, seydt het spreeck-woort: en dien volgende dunckt my met de reden meer over een te komen, dat die minst sondight die door de meeste aen-drijvinge is vervoertgeweest; het welck ontwijffelick meer door een schoone, als mismaeckte ofte andersins geen aenlockende gedaente wert gedaen: en ick en houde het ghevoelen van sekeren biecht-vader niet vreemt, die aen een jonge nonne vergevinge van hare sonde toestont, nae dat de selve in haer biechte verklaert hadde, dat sy haer verloopen hadde in de maent van Mey, onder een bloeyenden boom, met een jongh en fris edelman, en dat de selve geen vergevinghe en wilde toe-seggen aen een oude bagijne, die haer hadde laten misbruycken in de winter-tijt, onder een dorren boom by een vervallen kercke, en dat door een ouden kaes-jager van hare gebuerte. Want sigh in het eerste geval te verloopen, hadde (boven 's menschen aen-geboren swackheyt) groote aendringinge: ende in 't tweede sigh te vergeten, was als tegens wint en stroom op te dringen, ende met opset quaet te doen. Van gelijckē soo meyne ick, dat soo yemant sigh ontgaet in dronckenschap, by gelegentheyt van eenigē uyt-muntenden goedē wijn die hem geschoncken wert, minder misdoet als yemant die sigh versuypt in alderhanden slechten dranck; het eene komende door verlockinge van soo een aengenamē dronck, het andere uyt enckele sletterije, ofte, om beter te seggen, uyt puere beestigheyt. Soph. Ghy weyt hier al wat breet, Philogame, en ick soude u in tegen-deel wel in bedencken derven geven, als yemant uyt den regel wil gaen om hem en eenigh schepsel te misbruycken, offet niet beter en minder quaet en is, een slecht als een uyt-nemende ende goet maecksel daer toe te misbruycken. Als de knechts van een groot en rou huys-gesin te samen rousmousen, isset niet beter datse malkanderen een slecht aerden vat naer het hooft werpē, als eenigh sonderlingh en naeukeurigh stuck huys-raets van outs in 't geslachte bekent? Maer dit soude ons af-leyden van ons voor-genomen wit, dat is, of men in't verkiesen van syn partuyr, soo grooten werck behoort te maken van de schoonheyt? ende daer toe veel geseyt konnende werden, wil ick dit alleen nu brengen by 't gene op andere gelegentheyt hier van is gesproken: te weten, dat ick met bondige redenen nae de kunste van reden-kavelinge, u vast kan stellen, dat de gene die een ongedaene ofte mismaeckte vrouwe trouwen, beter doen als die sich met een uyt-nemende schoone komen te versellen. Phi. Dat is een wonder-reden in mijn oiren; dies verwachte ick van u hoe ghy dat sult vast maken. Soph. Voor eerst soo en sal ick geen swarigheyt maken u toe te staen met de lief-hebbers8. van de schoonheyt, dat een man meer vermakelickheyts kan hebben van een schoon als van eē mismaeckt vrou-mensch: maer ick woude die selve lief-hebbers wel eens gevraeght hebben, of het niet beter en is noyt vrolick ende geluckigh geweest te zijn, als de vreught ende gheluck (van de welcke men te voren in 't besit is geweest) wederom plotselick te verliesen? Voorwaer indien de selve de reden plaetse willē geven, sy sullē sulcx sonder tegen-spreken toe-staen; dewijle by alle wijse wert geoordeelt, dat het eene van de grootste ongelucken is, geluckigh te zijn gheweest. 'Tis dragelicker (seyter een van de wijsen) niet te verkrijgen, als verkregen hebbende vvederom te verliesen. En dat vast ghestelt zijnde, soo koomter by een tweede point, dat mede by de selve niet en is te ontkomen: te weten, dat de gene die hare vermakelickheyt hebben in schoone vrouwen, de selve seer weynigh tijts in dat waesjen konnen gebruycken. Het schoonste bloemtje schier soo haest het selve gepluckt is, soo isser alreede een groot deel van synen glans vergaen. Het selve van vrouwen te seggen en ware niet buyten redenē ; soo teer, swack en verganckelick is al dat men onder ons schoonheyt noemt: een koortse, een geswel, jae een puysje kan de lieffelickheyt daer van doen verliesen. En ick bid u, siet eens met een gesont ooge aen den staet van een schoone vrijster, en in hoe enge palen al die soete lieffelickheyt (als 't al ten besten gaet) besloten is, en hoe ras die verslenst, verslonst, en verdort is. Begintse te ghebruycken tot haer twintigh jaren of daer ontrent (want eer en heeftse hare volheyt niet) na de vijf, jae ick derf seggen na de drie-entwintigh jaren en isser noyt vrouwe schoonder geworden, maer is van die tijt aen (oock buyten geval van sieckten ofte andere ongevallen) gedurighlick af-gegaen, en in haer lieffelickheyt vermindert: en boven allen desen soo zijn alle wereltsche dingē van dien aert, datse terstont door het gebruyck vervelen, en als tegens worden. Rijcke lieden hebben veeltijts maer acht of thien dagen haer lust in een schoon getapisseerde kamer; want als het ooge sulcx maer eens gewent en is geworden, soo is dat schoon gesichte, nu als in een gewoonte verandert zijnde, geheel onlustigh geworden. Men wort oock moede taerten en pasteyen te eten, seyt de Fransman: en de lieffelickheyt van de somer selfs soude ons terstont vervelen, soose langer bleef duren alsse gemeenlick doet. Tiraq. ad. l. 2. connub. nu. 14. En om niet langer te wesen, soo siet ghy mijn besluyt: te weten, dattet nutter is, alleen om de redenen wille voren verhaelt, een vrouwe van een mismaeckt, immers van eē middelbaer gedaente, ten wijve te nemen, als eene van uyt-nemende schoonheyt: en dat alles houde ick sonderlinge plaetse te moeten grijpē ten opsiene van geleerde lieden, ofte immers die haer werck maken van veel met boucken omme te gaen: want daer en wert niet een soo grooten beletsel gevonden voor luyden van letteren als een schoone vrouwe. Een groot rechts-geleerde eertijts gevraeght synde, waerom hy nu getrout zijnde niet soo veel tijts en vlijts en bestede ontrent syn beroup, als te voren? hy antwoorde, vermits ick een vrouwe getrout hebbe. En daer tegens geseyt zynde, dat Socrates mede getrout is geweest, maer dat hy dies niet tegenstaende niet af en liet syn neerstigheyt in de Philosophie te doen, als te voren. Xantippe (seyde de docter) was norts en onvriendelick, en daer en boven (soo ick meyne) oock leelick; maer de mijne is vriendelick, en schoone. Phi. Ick ben te grooten lief-hebber van de schoonheyt, om langer tot haren nadeel te hooren spreken; hoe-wel ick in twijffel stelle, of het leste by u verhaelt tot haren nadeel is, dan niet. Doch hoe het zy, laet ons komen tot de naest-volgende geschiedenisse. Soph. Mijn saken roepen my nu elders, jongelingh: oock soo hebbe ick het volgende trou-geval onlangs door-lesen, en mits de selsaemheyt van het selve wel rijpelick daer op gelet. Ghy leest het by u selven: ende als wy den anderen wederom by gelegentheyt sullen komen te besoecken, soo willen wy van die vraegh-stucken daer uyt ontstaende naerder spreken, soo het u ghevalt. Phi. Vwen voor-slagh vinde ick goet, weerde man, en gae my van nu af aen daer nae schicken. Soph. Doet soo, Philogame, ende vaert wel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Trouringh · Jacob Cats · Poetry Cove