[Of Ascha vvel besteet is.] Philogamvs. WAt is u oordeel van dit houvvelick, weerde man? Soph. Ick mercke dat daer verscheyde bedenckingen uyt konnen genomen werden, als te weten,
1.Of men houwelicken mach gronden op gaven des lichaems, als snelheyt, singen, springen, en diergelijcke. 2.Wat eygentlick houvvelicken van state genoemt vverden, en hoe die aen dienen gegaen. 3.Wat van Kalebs maniere van doen te gevoelen staet, in't bestedē van syn dochter. 4.Hoe groot de macht is van de ouders ontrent het uyt-houwelicken van hare kinderen. 5.Of vader ende moeder beyde hier in moeten bewilligen, en wie derhalven meerder macht moet verstaen werden te hebben.
Phi. Ick hebbe oock even de selve aenmerckingen uyt dese geschiedenisse te gemoet gesien, eñ make vast een vergelijckinge met dit werck, en met het gene Laban dede. Soph. 'T is vry een loffelicker maniere1. van doē, die alhier by Kaleb wort gebruyckt, als vvel is de voet by Laban te voren gehouden, gelijck ghy wel oordeelt. Men vint in de oude Historien, dat in voorlede tijden by de groote dit wel meer in 't vverck is gestelt geweest; in voegen dat by wapenen, en door middel van lichamelicke sterckte, en wackerheyt edele jonck-vrouwen, ja groote Prinçessen by wijlen zijn te winnen geweest. Phi. 'T is soo ghy seght, weerde man. En ick selfs (niet van de ervarenste inde oude geschiedenissen) kan exempelen by brengen daer alleen met snelheyt van loopē in die gelegentheyt groot voordeel is te doē geweest. Danaus heeft in de vorige eeuwen op dien voet op eenen tijt acht-en-veertigh dochters als prijsen voor-gestelt aē die gene die snelste soude bevonden werdē geloopen te hebben, wesende altijt het voor-recht vā eerst te mogen kiesen by de gene die best gedaen haddē. Even het selve is gepleeght by Anteus in een stadt van Libyen, Irassa genaemt. want hebbende de selve vorst een geheele schoone eñ bevallicke dochter, die veel versoecx hadde, heeft de selve inde loop-bane der selver stadt neder doen stellen, ende openbaerlick doen uyt-roepen, dat de selve als een prijs met snel loopen te winnen ware, en dat de gene die na den loop eerst haer hooft-çieraet soude bevonden vverden metter hant aen-geraeckt te hebben, haer ten wijve wech soude mogen leyden. Het derde exempel, dat ick hier van gelesen hebbe, is te vinden by de Poëten uyt de Historien in hare schriften over-geset, eñ (na hare maniere van doen) met fabulē verblomt. Onder andere vinde ick de geschiedenisse van Atalanta by Ovidius beschreven, in syn boecken van de Veranderinge, die ick lestmael in onse Nederlantsche tale hebbe leeren sprekē, om mijn penne wat te oeffenē. Soph. Laet ons die uwe oeffeninge eens hoorē, al eer voor te gaen. want 'tselve en sal hier niet buyten onse stoffe, of tegens ons voor-nemē wesen, maer eer het selve helpen. Phi. Ick en wil des niet sparigh wesen; wilt ghy maer verweerdigē my een weynigh uwe oiren te leenen, en dan weder te komen tot ons begonnen werck. Soph. Ick ben sulcx wel getrooft te doen. Begint slechts, en leest. wy willen dan van dese soorten van houwelicken nader reden-cavelen. Phi. Wel aen ick beginne.
KOomt hier, nieusgierigh volck, eē selsaem loop-spel kijckē, Daer een behaelt den prijs, en hondert in besvvijcken. Men vvint hier schoone vervv, of vvel een duyster graf. De vryster is de loon, de doot een vvisse straf. Hier is een rappe maeght, die kan gevveldigh loopen; Maer vvie vervvonnen is die moetet dier bekoopen. Het is een vast besluyt; al vvieder blijft te kort, Dien vvort syn jeughdigh bloet, als vvater, uyt-gestort.
Daer is geen seggen aen, vvie achter is gebleven Die mist den hooghsten prijs, die mist syn eygen leven; En schoon het dunct u vvreet, men doet hem geen gevvelt, Het spel dat heeftet in, de vvet is soo gestelt. Noch zijnder even-vvel, die met haer snelle leden, Die, met een moedigh hert, in desen handel treden; Sy spotten met gevaer, en trachten na gevvin. Soo veel heeft onder hen een schoone vrijster in. Maer niemant van den hoop en kander troost vervverven. Dies isser menigh helt gedvvongen om te sterven. Ach! voor een blijde feest, met diepe lust vervvacht, Soo vvort de jeught betreurt, en in den kuyl gebracht. De gansche vverelt sucht, vermits de jonge lieden Den hals van stonden aen ten svveerde moeten bieden. Te meer om dat de vvet niet eens gedoogen vvou, Dat yemant aen de maeght een kusjen geven sou, Een kusjen voor het lest. Dat snijt hun in de zielen; Maer des al niet-te-min sy moeten neder-knielen. Al dunckt het yemant hart, en uyter-maten straf, Sy reysen uytet vleesch, en vallen in het graf. Iuyst onder dit gevvoel soo isser een gekomen, Die heeft de strenge vvet noch een-mael aen-genomen, Hy sprack met bly gelaet, en uyt een vollen mont, Dat hy daer om de doot, of om de vrijster stont. Het vvas een rustigh quant van boven tot beneden, Een yder had het oogh ontrent syn rappe leden. Het bleeck aen syn gestel, en uyt syn rijcke dracht, Dat hy vvas af-gedaelt van eenigh hoogh geslacht. Veel menschen zijn bedroeft, veel jonge lieden klagen, Dat hy soo flucxen lijf aldaer bestaet te vvagen. Veel seyter, dat de man vvel licht een schoone vrou, Oock sonder dat gevaer, voor hem bekomen sou.
Doch hy stont niet alleen op syn gesvvinde gangen, Maer heeft een beter raet van seker vrient ontfangen: Ghy (soo het lijf besvvijckt) brengt my den geest ter baen; Het beste meester-stuck vvort door verstant gedaen. De moeder van de min, van desen helt gebeden, VVas in der Goden hof, op syn versoeck, getreden; Daer heeftse, t' synen dienst, drie appels uyt-gebracht, Van vvonder schoone vervv, en vvonder groote kracht. Sy sagh de vruchten aen, en vvaer yet mocht ombreken, Daer heeftse metter hant een vveynigh aen gestreken; En t' vvijl sy op het ooft met sachte vingers dout, Soo blonck het over-al, gelijck als enckel gout. Sy heeft het aerdigh fruyt den jongelingh geschoncken, En heefter in gestort den keest van hare voncken, Yet ick en vveet niet vvat, yet dat men niet en kent, Yet dat een soet vergif tot in het herte sent. Sy leert hem boven al, door onbekende reden, Hoe dat hy dit geschenck met voor-deel sal besteden. Hier op soo trat hy voort, en gaf hem in het velt, En heeft hem tot den prijs, of tot de doot gestelt. Daer sloegh het snar trompet. De frissche jonge lieden Beginnen tot den loop haer leden aen te bieden. Men blaest noch ander vverf, en met den derden slagh Soo schiet een yder uyt soo veerdigh als hy magh. En schoon de vrijster liep gelijck de snelle vvinden, Noch vveet Hippomenes haer gangen in te binden; VVant 't geen dat aen de maeght de schreden vveder-hout Dat is de schoone vrucht, geçiert met edel gout. Hy goyt het aerdigh freuyt te midden op den velde, Als hem de rappe maeght den prijs in tvvijffel stelde; En t' vvijl sy neder buyght, en na den appel tast, Soo is dat hy te meer op syne gangen past.
Hy liep gelijck een hart, en quam soo vveder voren, En vvon het vvederom al vvatter is verloren; Maer, schoon hy dapper snelt, de vrijster niet-te-min Die haelt van stonden aen den moeden looper in. Sy svveefde door het velt, gelijck de paerden hollen; Dies liet de jongelingh den tvveeden appel rollen, Die had noch schoonder glans, als d'eerste gulde vrucht, Dies stremtse vvederom de maeght in hare vlucht. VVant als sy sagh het ooft, het scheen, sy vvert gedvvongen Te staken haren loop, en ongetoomde sprongen. Sy greep het veerdigh op, en vveder even snel Loopt inder haest voor-by haer droeven loop-gesel. De jonck-heer vvert bevreest, onseker vvat te maken, Hy siet den lesten peyl, hy siet het eynde naken, Hy seyt in syn gemoet: Ick sie de bleecke doot, Of vvin ick desen loop soo ben ick uyt den noot. VVel aen nu, Venus help, en stijft mijn svvacke leden; VVant ick heb over langh om dese kans gebeden. 'T is nu de rechte tijt. vvant blijf ick nu verstelt, Soo vvord' ick hier onthalst te midden op het velt. Hier gaet den jongelingh den lesten appel vverpen; Maer gingh noch boven al syn gansche sinnen scherpen, Op dat hy voor het lest den voor-toght houden magh, En goyt daerom de vrucht oock verder als hy plagh. De nimphe siet het gout, en syn vergulde stralen, En schoon het verre rolt, sy gaet den appel halen, Sy steeckt het aerdigh ooft in haren teeren schoot, En siet! (door Venus list) het vvoegh gelijck een loot. Dit gaf den vrijer tijt, om voor de maeght te komen, Soo dat hy vvederom heeft nieuvven moet genomen; VVant hoe hy verder quam, en rasser henen liep, Hoe dat de blijde jeught met luyder stemmen riep:
Nu loopt, ô vrijer, loopt, en dat met alle krachten, Nu loopt, ey lieve, loopt, de prijs staet u te vvachten, Nu loopt, ô ridder, loopt, ten eynde van de baen; VVy sien de schoone maeght voor u als eygen staen. Dit vvas de jongelingh een dapper spoor gegeven: Dies liep hy over vvegh, als van den vvint gedreven, En schoon syn herte slaet, en dat hy dapper hijght, Hy maeckt dat hy de maeght voor hem ten loone krijght. Daer juyght al vvie het sagh met uyt-gelate kelen, Daer koomt de soete jeught het bruylofs-deuntjen quelen, Daer hoort men snaren-spel, en ander soet geluyt, En al wat spreken kan dat groet de jonge bruyt.
Siet daer mijne Hollantsche Atalanta. Maer seght my nu, wat u gevoelen zy van dese houwelicken, en voor al van die voren verhaelde geschiedenisse. Soph. Mijn dunckt dat de Poëten door dat gedightsel hebben vvillen aen-wijsen een gebreck van onse, en misschien mede van de vorige eeuwen, te weten, dat de gout-appels, dat is, gelt en goet op de vrysters soo veel vermeugen, datse haer in de loop-bane der liefdē laten overwinnē van de gene die voorraet hebben van soodanige stralende fruyten, loopende alle andere, die haer daer mede niet en konnē ballasten, gansch snellickē voor-by. Phi. Dat is een goede op-merckinge, roerende het geheym, dat de Poëten onder dese geschiedenisse ofte gedichtsel hebben vermomt. Maer ick wenste te weten, wat ghy van desē slagh van houwelickē oordeelt. Soph. Wat dese leste geschiedenisse aengaet, die segh ick geheel en al van minder stoffe, en slechter van beleyt te wesen als 't gene by Kaleb is gedaen geweest. want ick sie, dat alleen op het snel loopen dit houwelick is gegront geweest, en dat dunckt my weynigh redens te hebbē ; dewijle geen man van soo hoogen staet en gelegentheyt (als de voor-seyde jonge lieden waren) gebruyckt kan vverdē tot eē loopendē bode ofte postillion, om also door snelligheyt het Lant ofte yemant in 't bysonder dienst te doen. Oock en sie ick niet wat in-sight sulcx kan hebben, om een goet houwelick te maken. Mijns oordeels, behoevender al vaster gronden, om een soo gewichtigen werck op te bouwen; en daerom dunckt my onwijsselick gedaen te zijn van de ouders, en oock van de jonge-lieden, datse door soodanige middelen sigh tot een houwelick lieten bewegen. Phi. Maer isset niet een aengename sake, soo rappen ende vvel gestelden lichaem ten houwelick te krijgē ? ende en heeft men niet ghesien dat veel jonck-vrouwen daer op het ooge hebbē laten vallen? Weet ghy niet, dat noch niet seer lange geledē, in den Hage een sekere in schoonheyt vvel vermaerde jonckvrouwe (die ick niet en wil noemen) siende in een kamer-spel een rappen jongelingh op een houten-peert geestigh op en af springen (dat men voltigeren noemt) soo seer haer aen syn wackerheyt quam te vergapē, datse haer sinnen gansch en al op den selven liet nedervallen, soo datter meer op is gevolght als eenige meynden haer wel te betamen? Dat, en diergelijcke gevallen en konnen u, weerde man (nae ick meyne) niet onbekent zijn. Soph. 'T is soo ghy seght, lieve Philogame. Ick hebbe al mede vrijsters en vrouwen gekent van gelijcke in-vallen, dat is, die om eenige lichamelicke vvackerheyt ofte behendigheyt op jonghmans zijn verslingert geweest. Daer is in mijn jonckheyt in Zeelant een wel-gestelde vveduwe te vinden geweest, die een flucxen jongelingh, uyt sake van een wet-spel, over eē koets-wagen hebbende sien springen, soo grooten genegent-heyt daerom aen den selven leyde, datse hem (een geringh gesel wesende) tot haren man verkoos, ja selfs daer toe verlockte. Een andere rijcke weduwe isser in eē stadt van Hollant by-naest op dien eygen tijdt gevonden, die een man aen-sloegh, vermits sy hem op een maeltijt soet-aerdighlick hadde hooren singen. En dit beyde met ongeluckige uytkomste, en gansch weynigh genoegens, als ick wel omstandelicker (des noot zynde) soude konnen verhalen. Derhalven soo verklare ick, my sodanigh bedrijf geensins aen te staen. Phi. Wel hoe! weerde man. Zijt ghy dan eē grijnspens, en geen liefhebber van soo edele kunsten? Seydt niet de oude ende vermaerde leer-meester in de hooge schole der liefden van dese frayigheden aldus?
Sangh dient tot het minne-spel. Laet de vrijsters leeren sinnen, Laet de vrijers leeren springen, Want het voeght de maeghden wel.
2. Soph. Dat yemant een fris en vvacker lichaem heeft, of een goede bequaemheyt van singen, of diergelijcke, dat weet ick aengenaem en soet te zijn, sonderlinge in jonge lieden oogen en oiren; maer daer op eē houwelick, als op eē gront-steen, te willē bouwē dat vinde ick gansch ongeraden. En tegens het veersken, by u verhaelt, set ick een ander, en van meerder vastigheyt, dat aldus luyt:
Wie een vrijster om haer singen, Om haer springen heeft getrout, Acht het eerst voor moye dingen; Maer als noot begint te dringen, Is de liefde stracx verkout.
Daer behoort en behoeft beter stoffe (als ick te vorē seyde) tot eē wettige by-een-komste van man en vrouwe, als soodanige lichamelicke by vallen (want daer voor mogen dese dingen maer gerekent werden) dewijle de selve niet als weynigh en konnen by-brengen ten goede van het geselligh leven; en in aller manieren zijn 't al saken die licht vervallen. En alsser dan niet inwendighs over en blijft, dat het werck staende kan houden, soo rijster licht eē jammerlicke gestalte onder soo licht gevoeghde personen, gelijck de droeve eervarentheyt niet dan al te veel uyt en wijst. Phi. Hoe! wilje dan het middel, by Kaleb ghebruyckt tot het houwelick van Ascha, mede (als onwijsselick ter hant genomen) verwerpen? Soph. Dit is een geheel andere sake, lieve Philogame; en sodanigh beleyt noeme ick een houwelick van State. want sodanige worden in 't werck gestelt ten dienste van 't gemeene beste, en om yet uyt te doē voeren, daer van de geheele Staet voordeel kan genieten. Soo dede Saul openbaerlick uytkondigen, dat hy die den trotsen Goliad soude verslaen 's koninghs swager soude zijn, om alsoo dat monster ('t welck den heir-leger Israëls dagelicx quam bespotten) van kant te helpen. Even soo beloofde hy aen David syn dochter Michal, mits hondert voor-huyden der Philistijnen hem over-brengende. Van gelijcke stoffe is geweest het middel dat Kaleb hier ter hant nam, tē aensien van het winnen van Kiriat-Sepher, stellende tot een prijs van de overwinninge syn dochter Ascha, als de historie uyt-wijst. Phi. Maer ick en kan daer alsoo grooten wijsheyt mede niet in sien, magh ick met eerbiedigheyt alsoo spreken van soo ouden sake. want openbaerlick te beloven een 'skoninghs of vorstens dochter te sullen gewerdē tot een wijf aen de gene die soo een reuse sal verslaen, ofte soo een sterckte sal in-nemen, is dat niet geheel vol gevaers? Hoe en soude niet licht een vreemde snaeck, jae selfs wel een rouwe struyck-roover, immers een slecht ofte veracht persoon sulcx konnen ter hant nemen, ende uyt-wercken? En soude men dan niet verstelt staen? Soph. Men vint doorgaens, dat in oude tijden dusdanige maniere van doen is ghebruyckt geweest, en datter dickmaels voorname vrijsters, ja vorstelicke jonck-vrouwen zijn voor-gestelt geweest, tot vergeldinge van kloecke daden van wapenen. Agarista, dochter vā Clistenes koningh van Sicyonien, is by haren vader openbaerlick gedaen uytroepen, een prijs te sullen zijn aen den genen die best soude bevondē werden met de lançe gerent te hebbē. Tot welck ridder-spel meest al den adel van de Griecxse jeught wort gheseyt te samen gekomē te zijn. Te Numantien (als in voorlede tijdē aldaer twee jonge edellieden met grootē ernst gelijckelick stonden naer eene van de voortreffelickste jonckvrouwen van den lande) heeft de vader verklaert, dat hy de selve ten wijve soude geven aen den genē die eerst de rechterhant van een Romeyn soude af-kappen, en hem t' huys brengen. Hippodamia, dochter van Oenomaus koningh van de Elcken, is eertijts met een openbaer vecht-spel te winnen geweest, onder bespreck, dat de gene die over-wan de jonge prinçesse soude genieten, en die over-wonnen soude werden dadelick soude moeten sterven. En is alsdoen Phelops door behendigheyt eyndelick over-winner geblevē, en heeft also de jonck-vrouwe, als synē prijs, met hem geleyt. Maer in allen desen is waerschijnelick het gene eenige van de oude gemeynt hebben, namentlick, dat in dusdanige voor-stellinge een stilswijgende voorwaerde of bespreck scheen begrepen te zijn geweest, te vveten, in gevalle in de voor-gestelde maeght geen merckelicken af-keer van den persoon die over-winner mochte blijven en werde bevonden. want anders indien sulcx gebeurde, soo soude het gansch hart zijn gevveest aen een vrye jonck-vrou tegen danck yemant op te dringen, ten vvare sake dat de voor-stellinge van prijs niet in 't gemeen aen alle, maer alleen aen eē seker getal van jonge lieden (aen de vryster te voren bekent) ware gedaen gevveest, en dat met voor-weten van de selve. want in soodanigen gevalle soude sy verstaen moetē werden in den persoon bewillight te hebben, ende dien volgende geen3. na-klachte te mogen in-brengen. Wy willen dan gelooven dat oock Kaleb, in voegen als voren is geseyt, dit stuck sal hebben beleyt; ende vinden oock de geschiedenisse hier in dier voegen in-gestelt. En ick besluyte dien volgens, dat sulcx by Kaleb wel is gedaen, en dat dusdanige houwelickē zyn ten goede van den Staet en ten gemeenen beste aengeleyt. Phi. Wat Kaleb hier gedaen heeft, en kan uyt de geschiedenisse (gelijck die kortelijck in het boeck der Rechteren verhaelt wort) niet gesien werdē. Maer dat Saul sonder eenige bepalinge synen uyt-roep heeft laten doen, kan daer uyt werden af-genomen, dat aen David, een geringh schaep-herder wesende, is toe-gelaten de kansse te mogen wagen, selfs met wel-weten van dē koningh. Soph. 'T is soo ghy seght, jongelingh. Maer schoon David den reuse al verslagen hadde, soo en is van het beloofde houwelick oock niet gevallē. want (gelijck het bleeck) soo en hadde Merob de oudtste dochter van den koningh Saul geen gevallen aen David, en soo en heeft het houwelick niet met hem, maer met Adriel den Meholathiter voortgangh gehadt. Sam. 18.19. Phi. Maer efter kreegh David daer nae Michal een jonger dochter van den koningh Saul, als de Schrift getuyght. Soph. Dat is mede waer, Philogame; maer dat en scheen niet so seer in vergeldinge van het over-winnen van den Philistijnschen reus geweest te zijn, als vermits David daer na hondert voor-huyden der Philistijnen den koningh t' huys brachte, (Sam. 18.25.) en oock vermits Michal tot David genegē was; waer uyt schijnt mede te blijckē, in dusdanigen verkondigen een stil-swijgende bespreck van der vrijsters bewilginge begrepē geweest te zijn, als ick te voren seyde. Het kan oock gelooft werden, dat Saul, eerst uyt een kleyne gelegentheyt koningh geworden wesende, soo veel sigh heeft gelegen laten wesen aen't verslaen van den reuse, dat hy (terwijl de noot drongh) te vreden is geweest, syn dochter te geven aen den genen die den reuse soude verslaen, wie het oock soude mogen wesen, offerende ende over-gevende alsoo syn dochter (als het schijnē mochte) ten dienste van den Staet, ende achtende eenen soodanigen de prinçesse weerdigh, die soo grooten heyl het volck van Israël soude toe-brengen. Desen even-wel niet tegenstaende, lieve Philogame, soo oordeelick, dat het, na den aert en nature van het houwelick, beter is, dat het selve blijve in syn volle vryheyt onder de jonge lieden, om malkanderen met minne en vrientschap daer toe te bewegē. Oock meyne ick dat een prinçe (willende eenigh heerlick stuck, ten dienste van den lande, uyt-gevoert hebben) beter soude doen, daer toe te stellen treffelicke vereeringē van adel, staten, rijckdom, of diergelijcke, en niet syn dochter. Immers indien hy goet mochte vinden sulcx te doen, dat hy dan niemant daer toe en riepe, als die hem wel mochte betamen, en syn dochter wel bevallen, om alsoo haer tot geen ongelijck ofte onvredelick houvvelick te brengen. Houwelicken van state mogen wel somtijts dienen ten goede van een lant, selden tot vernugen van de gene die het meest aengaet. En ten dien eynde seyde de Philosooph Plato seer wel, dat men wel een houwelick te wege mach brengen door het lot, mits dat sulcx geschiede tusschen de goede, ende niet in't wilde. En daer mede genoegh van desen handel. Phi. Maer segh my doch, soude oock Kaleb de macht hebben gehadt hier in te besluyten, en syn dochter alsoo ten houwelicke uyt te gevē tegē harē danck? Wat dunckt u? Soph. Dese vrage komt aen op de4. macht der ouderen in 't uyt-geven haerder dochteren, die in den ouden tijt, en sonderlinge in den ouden Testamente over-al seer groot wert bevondē ; na dien men de geheele Schrifture deur kan bemercken, dat het met het sluyten van houwelicken in dusdaniger manieren heeft toe-gegaen, dat yemant die een dochter ten houwelicke wilde versoecken hare ouders daer over aen sprack, en dat de ouders (soo het hun goet dachte) het geheele stuck af-handelden, sonder dat men bevint de dochters daer in eenig gesegh gehadt te hebben; maer wel datse schijnen haer gevoeght te hebben na den wille haerder ouderen. Abraham geeft last om Rebecca voor Isaac synen sone tot een vrouwe in te halen, En de seve wert hem toe-gestaen, door bewilginge hares vaders. Iacob bekomt op gelijckē voet de twee gesusters Lea en Rachel. In welcke geschiedenisse sonderlinge is aē te merckē, dat Rachel, voor-by gegaen zynde, niet en klaeght, dat Lea aē Iacob in 't duyster wort toe-gebracht, eñ sulcx geschiet zijnde, daer tegens niet en streefde, tot een teycken dat sy haer voeght, ende haren vader alles laet beleyden. Wie in Israël een vrye maeght besliep moeste den vader van de selve vijftigh sickel silvers uyt-reycken, en moste oock de selve ten wijve nemen, soo den vader sulcx beviel. Van der dochters bewilginge geen gewach met allen. Deut. 22.29. Tobias ontfanght Sara op haer ouders toe-staen, sonder meer. Het houwelick van een beslapē dochter wert in 't geheel aen haer vader gestelt. Exod. 22.17. En op gelijcken voet neemt Agar, als sy van Abraham was uyt-gestooten, een wijf voor haren sone, by gebreke van een vader. Genes. 21.21. Wat den tijdt van het nieuwe Testament belangt, aldaer wert klaerlick gesien, dat alle de macht van een dochter uyt te houwelicken den vader wert toe-geschreven. 1. Cor. 7.38. In voegen dat niet een exempel in de Schrifture te vinden en is, daer een dochter, buyten consent van ouders, door het houwelick haer heeft verplicht. In dien men vorder het ooge wil laten gaen over andere natien buyten Gods volck, men vint over-al het selve. Tyndarus vader van de vermaerde Helena, voor hem eenige ongelegentheyt vreesende, in dien hy een swager voor hem, en een man voor syn dochter verkoos uyt al hare menighfuldige vrijers, gaf de selve syne dochter de macht om eē uyt de selve voor haer te mogen kiesen. Danaus en Belus voortreffelicke vorsten vint men dat de houwelickē van hare dochters en sonen hebben besorght. Oock doen de oude Poëten sulcx by hare geschriften over-al klaerlick blijcken. Onder anderen is het selve volkomentlick te sien by seker bruylof-gedicht van den Poëet Catullus, daer hy den bruydegom in-voert tot syne bruyt aldus te sprekē:
'T is heden onsen bruylof-dagh; Ghy daerom, wat ick bidden magh, En strijt niet met u lieven man, Vermits het niet bestaen en kan. Maer segh, waerom dus langh gewacht? V vader geeft my volle macht, V moeder heeft my toe-gestaen. Met u te bed te mogen gaen. Het stuck bevalt hun beyde wel, En ghy staet onder haer bevel. V maeghdom hoort u niet geheel; V vader komt een derden-deel, V moeder heeft gelijcke recht. Dus staen u saken wonder slecht. Want van dat teer en soet juweel En komt u maer een derden-deel. En streeft dan niet, ô soetste kint, Nu ghy u dus vermeestert vint; Maer geeft u blomtjen als het dient, Maer geeftet aen een lieven vrient. Ey, gunt het my, en scheyter af, Na dien het my u vader gaf, Na dien het my u moeder jont. Wel biet my dan u rooden mont. Want dus (gelijck een yder weet) Soo is de maeghdom wel besteet.
In voegen dat hier en over-al blijckt, dat de macht om kinderē ten houwelicke te besteden eygentlick der ouders en niet der kinderen werck is geweest. Phi. Maer hoe is dat te verstaen, Sophronisçe? Mochte sulcx tegen heugh en meugh van de dochters gedaen werden? Soph. De ouders vermochten, eñ en vermogē als noch niet hare macht over hare kinderen in desen te misbruycken, ende aen de selve, tegen wil en danck, vrou of man op te dringen; maer de bewilginge van de gene die men uyt wil geven moeste daer by komē. Immers daer en moeste geen onderlinge tegenheyt wesē. En hier mede houde ick voldaen de voor-gestelde pointen. Phi. Maer of vader en moeder gelijcke5. macht en gesagh hebben, in 't besteden van hare kinderen, weet ick al mede syn bedencken te hebben, en woude daer op insgelijcx uwe berichtinge, en van gelijcke, of beyder bewilginge hier van noode is, of dat des vaders alleen genoegh zy. Soph. De tijt jegenwoordelick verre gegaen zijnde en kan ick hier op niet staen; maer sal u op dese vrage versenden aen de schrijvers die daer van wijt-luchtigh handelen. Onder andere siet Tarnov. de Conjugio lib. 1. pag. 428. & 429. Maer wat schrijvers dat ghy leest, ghy sult vinden, dat de vader over-al in dusdanigen gelegentheyt de bovesangh toe wert gelaten, dat is, de hooghste macht wert gegeven. Phi. Wel, dat is tot daer toe; en ick wil het daer by nu laten. Maer ick mercke boven al het gene dat tot noch toe uyt dese geschiedenisse by ons is aengemerckt, noch eenige bysondere en nieuwe bedenckingen die sigh hier aenbieden. want doen ick las de weygeringe die Kaleb aen Atniel dede, als hy een gunstigen soen van Ascha vereyste, tot syn af-scheyt, ende tot op-weckinge van een mannelick herte, en dat de goede jongelinck dies ongetroost moeste henen gaen; soo quam my te binnen, dat hier de rechte plaetse was om te spreken, wat gunste een maeght aen een jongelingh, een vrijster aen een vrijer, en een bruyt aen harē bruydegom vermagh toe te staen, en hoe verre die gaen magh ofte niet. En daer in zijn (mijns oordeels) veel soete aen-merckingen te vinden, indien de selve met eē vernuftige tonge verhandelt quamen te werden. Soph. Hoe! en is al die stoffe niet genoegh over-gehaelt in de eerste deelen van het Houvvelick, en oock in den Spiegel van den ouden ende nieuvven tijt? Sekerlick, soo ghy die beyde recht insiet, en met aendacht door-leest, ghy sulter in vinden al dat ghy hier noch schijnt te soecken. Phi. Maer ick wouder noch wel by hebben, hoe verre de ouders mogen en behoorē te gaen inde vryheyt te geven aen hare dochters, ten aensiene van de jonge lieden die de selve dagelicx komen onderhouden. Soph. Oock dat selfs is vinden daer ick u geseyt hebbe. Phi. Wel, dien alle onvermindert, wat my belanght, my dunckt, dat Kaleb hier te deun en te hart was tegens den ridder Atniel, hem weygerende soo kleynen gunste, als hy stont te gaen tot soo grootē aenslagh. Gewisselick de jonge lieden van onse eeuwe en laten haer soo niet vernoegen. want als sy den anderen verstaē (schoon de ouders sich niet en willen voegen tot hare genegentheden) sy lieden rechtē hen selven, en uyt een engen dwangh soo berstense uyt in eē volle vryheyt; gelijck wy daer van onlanghs al eenige exempelē onder ons hebben gesien, en selfs by de aensienlickste van dē lande. En dewijle tot noch toe is gesproken van houwelickē die met bewilginge van ouders ofte vooghden, immers van eenige der selver zijn aengegaen, soo woude ick jegenwoordelick wel eens hoorē uwe bedenckingē op soodanige houwelicken die buytē of tegens de bewilginge en toestandigheyt van vriendē ter hant worden genomen. Soph. Wel aen, jongelingh, oock dat en is u niet geweygert. En tot dien eynde sal ons alvoren dienē gelesen de vierde geschiedenisse, die in dit nieu werck nu volght. want daer in wert verhandelt de Maeghden-roof by de Benjamijten aengerecht tot Sçilo. Phi. Dat is de rechte plaetse, waer uyt mijn sinnelickheyt voldaen sal konnen werden, weerde Sophronisçe. Ick bidde u, staet my oock hier het lesen toe, soo als te voren meer is geschiet. Soph. Sulcx doe ick geerne, lieve Philogame. want terwijlen ghy lesen sult, wil ick mijne gedachten latē gaen op de vraeghstucken ende de aenmerckingen, die uyt het verhael van de voorsz. geschiedenisse sullen komen te vloeyen, om u derhalven naderhant, soo veel ick kan, vernugen te geven. Phi. Wel aen, weerde man, sonder langen uyt-stel te nemen, ick beginne.
Cookies on Poetry Cove