Skip to content
1637

Trouringh

Jacob Cats

Korte t' samen-sprake op't vvijtloopigh verhael van Rhodope.

1.WT hoe lichten beginsel, en kleyne gelegentheyt, dickmael een houwelick wort veroorsaeckt. 2.Dat een vrouwe dient verkosen niet alleē om yemant te dienen voor soo veel hy een man is, maer oock voor soo veel hy een man is van dusdanigen ofte soodanigen beroep ofte gelegentheyt. 3.Houwelicken by lotinge, or diergelijcke middelen, of wel en behoorlickē toegaen. 4.Van gevallen daer een oudt man met een jonge vrou, of een oude vrouwe met eē jongh man, sigh in trouwe verbint.

Philogamvs. NEemt my ten besten af, weerde man, dat ick soo vrymoedelick tot u kome in-getreden; 'tis nu al een geruymen tijt geleden dat ick door-gelesen hebbe alle de geschiedenissen aen my ghelaten: maer ick en hebbe de selve soodanigh niet gevonden als ick van u op ons af-scheyt meynde verstaē te hebben; alsoo, in plaetse van dat ick hadde gemeynt te vindē, my voor-gekomen is een bysonder trou-geval vā Rhodope ofte Rhodopis (soo andere die noemen) en Psammetichus. Maer op al het gene by my gelesen is u bedencken te verstaen, en hebbe ick tot noch toe geen gelegentheyt konnen treffen; vermits ick u veeltijts soo besigh hebbe ghesien, dat ick u van dese ofte dierghelijcke saken niet en hebbe willen vergen: maer u tegenwoordigh t'huys vindende, en sonder geselchap, soo wenschte ick dat het u ter deser tijt gelegen mochte wesen, onse vorighe t'samen-sprake te hervatten. De borst is my soo vol van menigerley stoffe, dat ick my nauwelicx en kan wederhouwen van die dadelick voor u uyt te storten, oock eer het recht tijt is. Soph. Ick geloove vastelick, jongelingh, dat u verstant sal gespeelt hebben op eeinge bysondere trou-gevallen onlanghs by u gelesen, en ick soude oock wel lust hebben met u daer van in 't breede te handelen: maer de geheele stant myner saken is 'tzedert ons leste t' samen-sprake soo gansch verandert, dat ick daer toe geen tijt en kan geven, om verscheyde redenē die ick nu in't bysonder u niet en sal verhalē. Insgelijcx weet ick dat ghy alle de gheschiedenissen niet en hebt gevonden daer van ick u geseyt hadde, oock niet in soodanigē ordre gelijck ick die meynde te wesen, daer van ick u jegenwoordelick geen bescheyt meyne te geven, om geen tijt te verliesen. Even-wel, soo het u gevalt wat te spreken van het leste trou-geval by u gelesen, soo wil ick noch een weynigh tijts u het oire leenē. Laet ons daerom (soo het u gevalt) kort spreken van die geschiedenisse, dewijle wy vry wat lange van de voorgaende hebben gehandelt. Phi. De lanckbeyt, weerde man, en heeft my niet verveelt, om alle goede stoffe wille die ick daer in hebbe aen-gemerckt. Niet-te-min soo weet ick dat het swaerste meest moet wegen; ende daerom sal ick te vreden wesen, dat ghy maer als met den vinger aen en wijst de bedenckingen, die ghy in dit geval meynt dienstigh waer-genomen te zijn. Soph. Soo ghy u daer mede verneught, Philogame, soo wil ick haest ghedaen hebben: ende om te beginnen, soo valt my dit1. voor-eerst in, dat de goede God gansch wonderlick de menschelicke saken bestiert, ende dickwils eē houwelick laet te wege gebracht werden op kleyne voor-vallende ghelegentheden: en dat daerom geen jongelingh of jonge deerne te seer bekommert en behoort te wesen over haer houwelick, schoon datter voor de hant geen uyterlijcke voor-teyckenen derhalven sich en schijnē te openbaren; want door wat kleyns, en men weet schier nau hoe, wort de genegentheyt van yemant dickwils geroert, en oock vervoert. Als de tijt daer is, de minste oorsake is genoegh om een houwelick voort te brengen: en hier op dunckt my te passe te komē seker veers vā de Griecken ontleent, dat ick u verhalē moet.

De totâ re Coronariâ, è priscorũ monumentis doctè erutâ, vide pręclarum opus Caroli Paschalij regis Galliarum in sacro Consistorio consiliarij: ubi hęc & alia, ex Graecis pręcipuè auctoribus conpilata, diligens lector observabit. ALs eertijts Griecken-landt vvou groote blijdschap toonen, Soo vvas meest al het volck geçiert met groene kroonen Van klim, of rosmarijn, of met een rosen-krans, En gingh soo na den disch, of toe een blijden dans. Men sagher over-al geheele kramen setten Van myrthe, thym, laurier, en sachte violetten: En als een jonge maeght een kransje vlechten kon,Het maken van kranssē en kroonen was eertijdis geen kleyne kunste gerekent, dewijle niet alleē aen neus en oogh vernougen moeste werden gegeven, door goeden reuck, schoone coleuren, en net vougen van de bloemen en kruyden: maer moeste al het selve mede voor de ghesontheyt dienstigh wesen. Gelijck daer vā geleerdelick heeft geschrevē Carolus Paschalius boven geroert. Soo vvast dat sy de kost met desen handel vvon. Al vvie de rosen best te samen konde brengen, En na den rechten eysch het loof en kruyden mengen, Verkreegh dat al de jeught tot haren vvinckel quam; Nu hoort vvat trou-geval hier uyt syn oorspronck nam. Als Creon aen den mart een uyrtjen quam besteden, En gingh ontrent het volck een vveynigh sigh vertreden, En sagh vvat yder bracht of daer te koopen stont, Ten luste van het oogh, of van een gragen mont; Soo heeft hy daer ontrent een aerdigh dier vernomen, Die met haer groene vvaer ter vente vvas gekomen, Haer kraem vvas aerdigh loof en nieu-gevvassen kruyt, Ten dienste van een maeght, of van een jonge bruyt. Sy had een myrte-krans haer om het hooft gevlochten, Met rosen tusschen bey, soo geestigh alsse mochten,

Soo net, soo vvel vermenght, soo hups in een geset, Al hadder Flora selfs de sinnen op gevvet. De jonghman liet het oogh ontrent de rosen dalen, En vvert terstont gevvaer dat hem de sinnen dvvalen, Vry vvijder als de kroon. Hy dacht aen haer verstant, En prees in syn gemoet haer nette rechter-hant. Hy vvas in Venus net te voren noyt gevangen, En had maer vveynigh hairs ontrent syn bolle vvangen; En daerom vvas de vvulp in haesten vvech-gevoert, Tervvijl hy stont en keeck en op de vrijster loert. De liefd' is klim gelijck, dat kan de daet bevvijsen, Sy vvil staegh vorder gaen, en altijt hooger rijsen: En vintse dan een plaets die op haer vvesen past, Soo maecktse daer het valt haer gulle rancken vast. Fop sagh moy Trijntjen gaen, en Heyn sagh Iopje springen, En Iorden hoorde Griet een kluchtigh deuntjen singen, Maer Floor had Aeltjen lief vermitsse geestigh span, En hier uyt rees gevry en yder kreegh een man. Waer stroo en svvavel is, of diergelijcke saken, Daer siet men licht een vier van kleyne voncken maken; Voor een die suysebolt en houft maer eenen stoot, Om met het gansche lijf te vallen in den sloot.

Phi. Hadde de Griecsche jongelingh (die in dit veers Creon ghenaemt wert) een hovenier, en de koningh Psammetichus een hoey-kramer geweest, soo wilde ick oordeelen dat d'een en d'ander geen quade keuse gedaen hadde in 't verkiesen van vrouwen; want Creon soude in dien gevalle de bloemen en het vorder gewas van synen thuyn in kransjens hebben sien veranderen, ende alsoo tot voordeel brengē door behulp van de kroon-maeckster syn wijf: Psammetichus soude door het bordueren van Rhodope syn winckel hebbē mogen stofferen: maer voor een vorstelick persoon was het (mijns oordeels) al te slecht, verkiesinge te doen van een echte wijf, uyt redene datter een stuck naelde ofte priem-wercx by haer aerdigh was op-gemaeckt; want sulcx en raeckt immers geensins een koningh of synen staet. My dunckt van wijse lieden verstaen te hebben, dat een yder die sigh ten houwelick wil begeven, niet alleenlick behoort te letten,2. of soo eē vrou-mensch bequaem is om hem te dienen voor een wijf, in de gelegentheyt als een man: maer dat by hem voor al acht behoort te werdē genomē, of soo een vroumensch hem sal dienstigh konnen wesen in de gestalte als een vorst, als een hovelingh, als een edelman, als een raets-heer, als een koopman, als een ambachts-man, als een hovenier, als een huys-man, en soo voorts. Wat is u antwoorde, weerde man? Soph. Dat is eene van de beste troubedenckingen die ick tot noch toe u hebbe te berde hooren brengen: en sekerlick indien de gene die houwens gesint zijn hier op ernstelick wilden letten, sy souden hen des wel bevinden. Dan wat onsen Psammetichus aengaet, ick wil gelooven, en het wert oock uyt het verhael van de geschiedenisse duydelick af-genomen, dat hy niet soo seer op het borduer-werck en heeft gesien; (want soodanige fracyigheden konde hy, als eē machtigh vorst wesende, genoegh bekomen:) maer dat hy van het werck met syn gedachten op-klimmende tot de gene die het selve gemaeckt hadde, de wackerheyt van geest, en de nettigheyt van handen van de gene die daer mede besigh was geweest, daer in heeft over-merckt: ende dat hy alsoo met haer lief de is in-genomen geweest. Phi. Wel indien dar geval in dier vougen is toe-gegaen als ghy voor geeft, soo soude daer uyt volgen, dat yemant wel licht soude konnen verlieven op eene die hy noyt gesien en soude hebben: 't gene nochtans aen de oude gansch selsaem heeft geschenen. Soph. Hoe jongelingh hebje niet wel van eē verkiesinge in 't stuck van houwelick3. ghelesen daer men geen oogen toe en ghebruyckte? Phi. Sulcx en koomt my yegenwoordelick niet voor, maer hoe gingh dit toe, weerde man? Soph. De beleyders van den staet van Lacedaemonien worden geseyt eertijts een gebruyck gehadt te hebben, datse eens des jaers een seker getal van edele jonghmans, ende even soo veel jonckvrouwē van gelijcken geslachte ende gelegentheyt, deden ter maeltijt nooden; ende dat in twee verscheyde galerijen, alleen met tapijten van den anderen af-gesondert: en als de maeltijt gedaen was, soo wert plotselick het licht wech-genomen, de tapijten verschoven, ende een teycken gedaen met snaren-spel; het welck hoorende, stonden beyde jonckvrouwen ende jongelingen haestelick van de tafel op, en gingen tegen malkanderē soo in het duyster aen: en de gene die alsoo malkanderen bejegenden vielen d'een den anderen in den arm, en wierden alsoo dadelick echte lieden, als van den Hemel en van den Staet te samen gevought. Phi. Maer hoe bevalt u die maniere van doen, weerde man? Soph. Plato heeft dese vrage over lange beantwoort; want by meynde dat de houwelicken door het lot wel en loffelijck ghemaeckt konden werden: behoudens datter niemant in het spel en mochte werden ghebracht als vrome, eerbare, en deughtsame personen. Nu soo bemercke ick, dat de regeerders van Lacedaemonien voor hebben gehadt, door desen middel haren Staet van loffelijcke ende treffelijcke borgerie te versien: en hebbē daerom de beste jonge lieden, mans en vrou-personen, daer toe uyt-gekoren; in vougen dat niemant (hoe het viel) een misgrepe scheen te konnen doen om een goet partuyr te bekomen. En dusdanigh gebruyck nae rechten wel te mogen bestaen, vint men oock by de rechts-geleerden van onsen tijdt. Paul. Cypraus de sponsal. cap. 4. §. 16. Num. 2. Phi. Om een houwelick van State te maken is dit nae mijn begrijp een bequaem middel: en ick heb een man van aensien geweten, ons beyden wel bekent, die by-naest dien voet na-gaende, twaelf namē van joncvrouwen op een papier hadde gestelt, elck op de ordre van haer aensienlickheyt, en begon van de eerste af tot de leste deselve ten houwelick te versoecken: houdende dat hy eene van allē bekomende geē quaet en konde doē. Daer uyt hem de eerste mael dit gebeurde, dat hem syn versoeck over-al van boven af tot beneden toe, dat is, van de meeste tot de minste, wert outseyt: hy even-wel den moet niet verloren gevende, vont goet het stuck te hervatten; ende wederom van de eerste beginnende, wert van de selve aengenomen: en bequam alsoo voor de tweede mael de hooghste, daer van hem de eerste mael de laeghste was ontseyt. Maer om een houwelick te maken van sinnelickheyt (als de joncheyt over-al geerne doet) is dit middel geheel onbequaem; want of al schoon alle de jonge lieden (tusschē de welcke men een houwelick soeckt te maken) eerlijck ende vroom zijn, soo en zijnse nochtans niet al op den sin en het oogh van yder passende. En daerom bevinde ick, dat seker jongelingh (Lysander genaemt wesende) een van dese Lacedaemonische edellieden, in't duyster eē goede jonckvrou in de voorsz. bejegeninge hebbende gegrepen, die hem by den dagh niet schoon genough en docht, de selve verliet, om een moyer voor hem te mogen bekomen. Soph. Oude vorsten ende regeerders van landen en steden, jongelingh, en zijn in die gelegentheyt soo tintentigh ende naukeurigh niet; 't is de selve genough, dat ge-sonde lichamen en vrome zielē by den anderen werden ghevought: en van de selve zijn goede nakomelingen te verwachten, die de hope maken van de toe-komende eeuwe. En wat Lysander aengaet, de selve is by de Rechters van de Lacedaemoniensers, Ephori ghenaemt, ghestraft geworden vermits syn naukeurigheyt. Phi. Als men die werck soo voor goet soude op-nemen, soo soude daer uyt volgen, dat seker jonghelingh van onsen tijt (die my aen-gewesen en genoemt is) niet qualick en dede, een houwelick voor hem te vorderen door een maniere van doen, die my doen ter tijt niet aen en stont. Soph. Wat middel gebruyckte dan de selve? Phi. Hy (niet wel een besluyt by syn selven konnende maken in't verkiesen van eē partuyr) liet het oogh gaen over verscheyde jonge deernen hem bekent: met yder van de welcke hy sigh (soo hem docht) wel soude vernought houden. de namen van de selve schreef hy yder op eē besonder billet, wierp de selve in sijn hoet, en bad God, dat hy sijn hant wel bestieren wilde: en greep doen uyt den hoet een billet dat hem eerst voor quam, ende begaf hem met ernst haer te versoecken, wiens naem hy getrocken hadde, ende verkreeghse. V oordeel hier op, Sophronisçe. Soph. My dunckt datter redenen zijn om soodanigen lot niet soo plotselick te verwerpen: te weten, als men geen onder het lot en brenght als vrome ende deughtsame zielen. En soo dunckt ms by-naest gedaen te zijn by de Apostelen, ten tijde de selve eenen twaelfden in plaetse van Iudas Iscariot wilden verkiesen; want uyt de geheele menighte ghenomen hebbende twee godsalige mannen, te weten, Joseph Barsabas, geseyt Iustus, eñ Matthias, wierpē sy het lot (soo de Schrift seydt) tusschen die beyde, ende het lot viel op Matthias. Doch wat my aengaet, ick jongh zijnde eñ staende op de verkiesinge van een partuyr voor my, en soude niet door het lot, maer door besondere toegenegentheydt hebben willen gaen; want sonder de selve docht my dat geheel werck smakeloos, en van weynigh aengenaemheyts te wesen. De sinnelickheyt, ende verkiesinge daer uyt voort-komende, hielt ick de rechte sauçe te wesen van dat banquet en al dat daer ontrent is. Phi. Ick ben even van dat ghevoelen, weerde man: maer om hier niet langer op te staen, wensche ick wel van u te hooren, by gelegentheyt van onse Rhodope; Eerstelick, offet beter is een vrijster te nemen die veel, of die weynigh vrijers heeft gehadt. Ten tweeden, of een vrijer wel doet sigh met eē vrou-mensch te versellē in't stuck van houwelick, die met een ander al vry wat verre verseylt is gheweest; sonderlinge of sulcx voor prinçen niet gansch bedenckelick en is, die niet alleen van de sake, maer oock van de verdachtheyt ontrent dit werck willen bevrijt zijn. Ten derden, of een jonghman in twijffel zijnde of eē jonge deerne te veel vryheyt aen yemant, die sy te voren seer beminde, heeft gegeven, niet de selve niet en soude mogen handelē op voorwaerde en bespreck, dat hyse voor syn echte wijf soude behouden, indien hyse maeght quame te vindē, en anders niet. Ten vierden, of hy de selve geen maeght vindende haer dan soude mogen laten gaen, en een scheydt-brief geven, als van oudts plagh te geschieden. Ten vijfden, offer oock vaste bewijs-redenen by den selven jongelingh souden konnen werden by-gebracht, dat hy de selve deerne geen maeght en hadde gevonden. Ten sesten en lesten, wilde ick wel wat hooren spreken van oude lieden houwelicken, en wat daer ontrent is; dewijle een deel deser gheschiedenisse daer toe volle aen-leydinge is gevende. Soph. Ghy haelt my te veel nat hoys over-hoop, weet-gierigh jongelingh: en mijn tijdt is my nu vry wat naerder besneden als wel voor desen, sulcx dat wy dit werck voortaen sullen hebbē te staken. Maer efter moet ick u van twee spreucken jegenwoordelick4. deelachtigh maken, op de houwelicken van bedaeghde lieden passende, soo als ick de selve onlanghs van een voortreffelick ende vermaert persoon (een af-gesant van eē gekroont hooft) in 's Graven-Hage ontfangen hebbe: de selve spreuckē seyde hy my in de Engelsche tale, ende luyden als volght: When a joung man marieth a joung woman, God of might comes to the weddingh. When an old man marieth a joung woman, he sends. When a joungh man marieth an old woman, he neither comes, nor sends. De tweede was, When an old man marieth a joung woman, he gets a child, and kills a man. Ick die beyde voor goet en soet keurende hebbe de selve een Hollants kleet aen-geto-gen, om voor in-boorlingen van ons Vaderlant aen-genomen te mogen werden. Siet hier de eerste.

Als jongh met jongh te samen paert, God isser by, na rechten aert: En als een oudt man door de trou Verkrijght een maeght of jonge vrou, Al gaet het stuck men vveet niet hoe, Noch senter God syn segen toe; Maer als een oudt en grilligh vvijf Gaet slapen by een jeughdigh lijf, Soo gaet dit vast (geloofiet vry) Daer hi noch God, noch segen by.

De tweede volght, en luyt aldus:

Een oudt man die een vrijster trout, En haren gullen acker bout, Indien syn kracht soo verre streckt, Dat hy een vrucht by haer vervveckt, Dan isset dat men seggen kan, Hy maeckt een kint, maer breeckt een man.

En verwacht van my geen langer t'samensprake, of nader voldoeninghe op uwe vordere naeu-keurige vragen, lieve jongelingh: maer verneught u met het gene by ons op soo veelderley trou-gevallen onderlinge tot noch toe is voort-gebracht. Of soo ghy genegen zijt hier in wijdtloopiger te gaen weyden, daer zijn verscheyde geschiedenissen die by ons als noch op de preuve niet en zijn gebracht; ghy sult, by gelegentheyt, van't gene daer uyt kan getogen werden u selven ende andere genough konnen doen. Ende om u, ende alle andere lief-hebbers van dese stoffe, noch een wijder velt te openen om haer gedachten spelen te leyden, soo ontfanght van my, als tot een over-maet, noch een besonder trou-gebruyck, ontleent van de nieuwe werelt: van hoedanigen slagh in alle de vorige geschiedenissen die by ons zijn voort-gekomen, niet eene en wort gevonden; in het welcke al mede goede stoffe is schuylende om de sinnen te oeffenen, ende uyt dese gelegentheyt vergelijckinge te maken tusschen de oude, de onse, ende de voorsz. nieuwe werelt: om te letten wie ontrent dat werck den besten voet moet verstaen werden verkosen te hebben. Hout daer het voorsz. werck, ghy kont het lesen op u gemack, en als ghy daer toe lust sult hebben.

Siet van dit ghebruyck Ioh. Boëmus de Moribus gentium lib. 2. cap. 3. de Asia. daer hy onder andere verhaelt, dat niet aen de riviere Ganges in Indiē, maer op de grensen vā Indien aen de riviere Tigris in Syrien (het welck aen Indien in 't oosten paelt) dese maniere vā doen noch plaetse heeft: en (naer het seggen van Herodotus eñ Sabellicus) de selve ghewoonte by meer andere volcken eertijdts onderhouden soude zijn geweest. DAer is een machtigh rijck dat Ganges komt bespoeyen, En doeter edel gout en rijcke steenen groeyen: Hier vvoont een seker volck dat na den regel leeft, Maer op het echte bed de meeste vvetten heeft. Geen ongetroude maeght en houft daer oyt te schromen Hoe sy te rechter tijt een vrijer sal bekomen; De Machten van het lant, en al den breeden Raet, Heeft staegh een vvacker oogh ontrent den echten staet. Of yemant leelick is, of van een lustigh vvesen, Als haer de jeught verheft haer brant die vvort genesen, En dat van hooger hant: maer hoe dit vvort beleyt Dient met een kort gedicht oock hier te zijn geseyt.

Een maeght van schoone vervv, en van bequame leden, Die komt daer in de stadt tot op de mart gereden: Thijm, myrte, rosmarijn, en ander edel kruyt Dat çiert de guide koets, en çiert de jonge bruyt.

De peerden op-gepronckt met hondert rose-kranssen, Gaen drillen over straet, en schijnen als te danssen: De voer-man is gekleet in licht en jeughdigh groen, En doet het moedigh vee bequame sprongen doen. Ontrent het schoon caros gaen seven jonge maeghden, Die noyt haer teere jeught by rauvve gasten vvaeghden, Die stroyen maeghde-palm en loof van edel kruyt. Ter eeren van het vverck en van de jonge bruyt. De koets, die niet en draeft als op besette posen, En doet niet eenen keer als op gesaeyde rosen:

Soo dat de schoone maeght in staege blomtjens rijt, En dit is als het puyck van haren jongen tijt. Vijf meesters vvel-geleert haer soete stem te paren Met fluyten, of geklanck van alderhande snaren, Die spelen op de lier, of op een soete luyt, En stracx op dit geklanck soo kijckt de jonckheyt uyt. Daer komt dan al het volck ontrent den vvagen dringen, En slaet een nieu-schier oogh op al de moye dingen, Maer dat hun best bevalt, en aldermeest behaeght, Dat is het aerdigh beelt, dat is de jonge maeght. Als dan het schoon toneel is op de mart gekomen, En dat een groote schaer de plaets heeft in-genomen, Soo komt de roeper staen ontrent de jonge bruyt, En roept met alle kracht aldus de vrijster uyt: Sta by gesvvinde jeught en rappe jonge lieden, Sta by vvie schoonheyt souckt, en vvilt eens lustigh bieden; Hier is een frissche roos van niemant oyt gepluckt, Van niemant aengeroert, van niemant onderdruckt. Hier is een roode mont, hier is een eerbaer vvesen, Hier is een schoon juvveel van duysent uyt-gelesen, Hier is een reyne ziel, hier is een jeughdigh lijf, Hier is voor uvve koets een eerlick tijt-verdrijf, Hier is een vvacker oogh, hier roos-gelijcke vvangen, Hier is een geestigh hair dat herten vveet te vangen, Hier is een edel pant dat aen een rustigh man Syn leven-dagen langh tot vreughde dienen kan. VVat is een schoone vrou een pant van grooter vveerden! Het is een paradijs, een hemel opder eerden, Het is een oogen-troost, het is een stage vreught, Het is een stille ree, een haven voor de jeught. VVat is een leelick vvijf een monster in den huyse! Het is een selsaem spoock, een backhuys van Meduyse,

VVie aen haer door de trou syn leven heeft verplicht, Hoe klaer de sonne schijnt, noch is hy sonder licht. Dus gaet de roeper aen. De jonckheyt daerentegen Doet menigh deftigh bot, als tot de koop genegen: En als men op het lest geen beter kans en siet, Gevvort de jonge maeght aen die het meeste biet. En dan roept al het volck, Geluck en vrolick leven Moet God de jonge maeght, moet God den vrijer geven; En dit tot seven-mael. en voor een soet besluyt, De kooper geeft hem op en set hem by de bruyt. En flucx dan nae de kerck, en als daer is gebeden, Soo komt de jongh-gesel nae syn vertreck gereden: En nae dat hy den buyt heeft in het huys gebrocht, Geniet hy met vermaeck dat by hem is gekocht. De schoonheyt heeft haer recht tot in haer volle leden, Laet ons aen d' ander zy een vveynigh over-treden, En keeren nu het oogh ontrent een rijpe maeght Die niet of vveynigh geeft dat aen het oogh behaeght. Een die van over-langh de landen heeft door-vvandelt Daer noch ons Hollants volck op heden niet en handelt, Beschrijft ons nae den eysch een seker trou-geval, Dat ick voor onse jeught hier onder stellen sal. EEn vrijster niet te schoon, maer van gesonde leden, Was veyl na 's lants gebruyck, en quam ter mart gereden: De vrienden van de maeght die treden achter aen, Tot dat de vvagen komt daer hondert vrijers staen. De bruyt die sit en pronckt, en is in alle deelen Gansch çierlick uyt-gerust met hant en hals-juvveelen: Geen kruyt of versche blom en dient haer tot çieraet, Het is een goude kroon die op haer hulsel staet. De vvagen is vergult daer op sy is geseten, En daer uyt kan het volck den ganschen handel vveten,

De peerden zijn geçiert met tuygh van enckel gout, (Ten minsten nae men seyt, en als men seker hout.) Daer gaen thien maeghden voor die gulde loovers stroyen, En vloeken van klinkant op al de vvegen goyen: Al vvaer het ooge valt daer siet men hellen glans, En dit schijnt aen het volck een vvonder schoone kans.

De voer-man heeft een rock met seven gele koorden, Die hem syn onderkleet en oock syn mantel boorden, Syn svveep-stock is vergult (het lijckt een essen-hout) En 't snoer dat is gedraeyt van sijd' en enckel gout. Drie gaender voor de koets die op trompetten blasen, Drie zijnder even-vvel die met haer trommels rasen: Hier dient vry groot geschal. maer voor een aerdigh dier, Daer speelt een soete luyt, of vvel een stille lier.

Ontrent een schoone maeght gebruyckt men groene kruydē, En niet als kleyn çieraet, en niet als vveynigh luyden: Maer hier vvort meerder vlijt en grooter kost gedaen; Een bruyt die leelick is, heeft veel parerens aen. Daer komt het vvin-sieck volck met krachtē aen-gedrongen, Daer komt de rappe jeught in haesten aen-gesprongen; VVant yder snelt om strijt, begeerigh om te sien VVat datter vvort geveylt, en vvatter sal geschien. Hier treet de roeper toe en geeft hem op den vvagen, En hem vvort over-al een stock-beurs na-gedragen, Een stock-beurs vvel gevult. die svviert hy metter hant, En roept al vvat hy magh: Hier is dat vveerde pant, Hier is het edel gelt, hier is een gulden regen, Die vvaer hy neder valt de vverelt doet bevvegen, Hier is het schoon juvveel dat alle sinnen treckt, En syn geduchte macht in alle landen streckt. Hier is het lief metael daerom de mannen krijgen, Hier is dat schoon juvveel daerom de vrouvven nijgen, Hier is dat edel tuygh vvaerom de koopman reyst, En vvaer op al het volck met stage sinnen peyst. Hier is het achtbaer gelt daer 't al om is te koopen; Koomt hier, ô soete jeught, koomt op de mart geloopen, Hier isset dat u dient. VVie nu niet toe en tast, Dat is een rechten bloet of vvel een tamme gast. VVie kan van vvitte vervv of roode vvangen eten? Ach! al dat meeps gevvas is inder haest versleten; Al vvat men schoonheyt noemt vvort anders om-geset, Of door een heete koorts, of door een kinder-bedt. Een puyst, een kleyn gesvvel, een vveynigh kinder-pocken, Maeckt vrouvven onbequaem om herten aen te locken: En schoon ghy vvout het vvijf dan vvijsen vander hant, Hoe leelick datse vvort ten breeckt geen echten bant.

'Tis vry geen kleyn verdriet een aerdigh vvijf te trouvven, En alsse leelick vvort haer noch te moeten houvven, En dat oock sonder gelt. ô vvat een groote spijt! Men heeft een leelick vvijf, en is syn voordeel quijt. Neemt gelt, aelvvaerdigh volck, en laet de schoonheyt varen, VVant hoe de saken gaen sy duert maer vveynigh jaren: En als haer glans versterft gelijck het ydel gras, Dan komt het edel gelt een yder vvel te pas. Gelt, gelt dat is de saus, de keest van alle saken, Het doet het maeghde-vleys aen vrijers lecker smaken: Daer is maer kleyn vermaeck ontrent een vrouvven-keurs Indienmer niet en vint een op-gevolde beurs. Vergaept u niet te seer ontrent de schoone leden, VVat voor haer vvort geseyt en zijn maer losse reden: Het gelt is vaster stof, gelijck men vvert gevvaer; Ghy, trout een vvijf om gout, en niet om gout-geel hair. Waer toe juyst vvitte vervv, en roos-gelijcke kaken? Een vrou kan sonder dat een man tot vader maken: Een schoon en leelick vvijf en heeft geen onderscheyt, VVanneer de gulde son haer stralen neder leyt. Ha! 't is een schoone kans gevvin te mogen rapen Niet door verdrietigh svveet, maer slechts om by te slapen: Niet met een stage sorgh te quellen syn verstant, Maer met een jonge vrou te nemen metter hant, Te nemen in den arm. t'sa rept u, jonge gasten, Het vvort u nu gejont om toe te mogen tasten: Ten komt niet alle-daegh dat u te deser stont Komt spelen voor het oogh, en vallen in den mont. Nu spreeckt, en 't is gedaen. Indien de vrijers svvijgen, En dat de jonge maeght geen man en vveet te krijgen Ten prijse nu geseyt, soo roept hy vveder uyt: Hoe! isser niet een mensch die vvil een jonge bruyt?

VVel hondert daelders meer sal hier een vrijer trecken, Laet dat u zijn een spoor om vrijers op te vvecken: Noch hondert boven dien. vvel seghter niemant, Mijn? Gevvis hier moet een hoop van rechte lubbers zijn. VVel niemant? niemant niet? hoe! salder niemant spreken? VVel niemant? niet een mensch? ba dat zijn vreemde treken: Wel niemant? hoor ick niet? hoe niemant? isset geck: De ratte, naer ick sie, en vvil niet aen het speck. Hoe dus, aelvveerdigh volck? heeft niemant lust te trouvven? Of isser nu geen vreught by gelt en jonge vrouvven? Ist niet het soetste tuygh dat yemant hebben magh, Het eene voor de nacht, het ander voor den dagh? Nu vijftigh kroonen bet. noch hoor ick niemant mijnen, Het schijnt dat alle lust tot vrijsters sal verdvvijnen. Jck roepe dat ick kugh, en dat het aertrijk dreunt, En al dees grooten hoop die staet gelijck verkleunt. De droogers svvijgen noch. ick moet in vreemde palen, Jck moet een ander jeught en beter vrijers halen; VVant daer vvil niet een visch hier bijten aen het aes, En dat maer om een gril, of om een vijse-vaes. Ist om den grooten mont dat sy de vrijster laten? Maer dat kan menighmael de jonge lieden baten. Hoe dvvaes is oock het volck! het schout dat gunste biet, Hoe geck is al de jeught! sy kent haer voordeel niet. Als yemant lippen heeft gelijck als groote quabben, Al eetse dickmael pap, sy kan haer niet beslabben: En alsse liefde pleeght haer kus die is gevvis; VVant is de haven ruym, geen schip en seylter mis. Mier 't meysjen is gebult, is dat de vrijers tegen? Soo ghy het vvel begreept het vvaer u enckel segen: Leert, leert dat oock een bult u dickmael baten kan, AEsopus had een bult, en vvas een geestigh man:

En Crates boven dat. ontrent gebulte leden Daer vint men menighmael de vvoon-plaets van de reden; Die vvil een ruymer huys: soo dat een groeten bult Is dickmael met verstant en enckel geest gevult. Maer sy is bijster manck, en hinckt ter vveder-zijden, VVel dat behoort een man oock met vermaeck te lijden, 'T en sal geen loopster zijn. en die het huys bevvaert Dat is een nutte vrou, en van den besten aert. Een vvijf dat veerdigh is en speelt met rappe koten, Dat heeft al menighmael een eerlick man verdroten: Men segge vvat men vvil, een huys-vvijf is bequaem, En 't is, nae mijn begrijp, de beste vrouvve-naem. Maer sy is al te grof en bijster onbesneden, Daer hangen klompen vets ontrent haer bolle leden: Siet vvat een onsoet vleesch! hoe, mackers, zijtje geck? Noemt ghy een pousel quaet, en vet zijn een gebreck? Ké vvilt u, zijdy vvijs, van dese reden vvachten, Een lijf gelijck een dons hoe konje dat verachten? Dat bol, dat jeughdigh vleesch, dat mals en keestigh vet Dat noem ick vvel te recht een kussen in het bet. Wien isset niet bekent? het vet dat is het leven, Dat kan een eerlick man vermaeck en lusten geven: Het mager is de doot, of met de doot gelijck, Het neyght als tot het graf en tot het duyster rijck. Laet vet en pousel volck op uvven leger brengen, Jn 't graf daer sal men been en dorre schenckels mengen. Noyt had een eerlick man een beter tijt-verdrijf, Als by een jongh, een mals, een bol, een vleesigh lijf. Nu vvaerom meer geseyt? ghy, leefje nae de reden, En hanght niet aen de schors of aen de buyte-leden: Een mont, een oogh, een neus, of dus of soo gestelt, Al dat is geensins vveert dat sigh des yemant quelt.

Dat zijn de gronden niet daer op men dient te trouvven, VVat in de boesems schuylt dat maeckt bequame vrouvven: Ghy die nu mannen vvert en acht geen kinder-spel, En sooje trouvven vvilt, en trout niet om het vel. Al dat en is maer schijn, en niet als vijse-vasen, En speeltjes voor de jeught, en lock-aes voor de dvvasen; Een stil, een aerdigh hert dat kleeft aen haren man, Dat isset dat de trou geluckigh maken kan. Nu vveder tot het vverck. VVel duysent goude kroonen, En hondert daelders bet: vvie koomt sigh hier vertoonen? VVie spreeckter nu een vvoort? vvie koomter voor den dagh? Mijn, sey de schrale Fop, en mit soo gingh de slagh: Hy knap den vvagen op, en flucx het gelt genomen, De vrijster, naer hem docht, die soud' hy vvel bekomen; Soo dat het by het volck in tvvijffel vvort gestelt Of hy de vrijster trout, of vvel het machtigh gelt. Daer juyght de gansche stadt, en dat met luyder kelen, Dies laet men op de mart het bruylofs-deuntjen spelen: En nae dat in de kerck de Goden zijn gegroet, Soo danft men om den mey of om den rosen-hoet, Tot dat de nacht genaeckt: dan gaet de vrijer slapen, En vveet oock even daer syn voordeel uyt te rapen; VVant met het eerste kint soo krijght hy vveder gelt, Dat vvert hem in de kraem al vveder aen-getelt. Daer koopt men luyren om, en diergelijcke saken Die met een grooten lust de jonge vrouvven maken. Siet! hoe dit machtigh volck op alle vrijsters let, En sonder onderscheyt in echte banden set. Die schoon is vvert gekocht, en 't gelt voor haer gekregen Maeckt tot een leelick vvijf een gierigh hert genegen: Dus vvertet al gevvilt, en met een man verselt Of om een roode mont, of om het machtigh gelt.

Dan of dit dienstigh is en nut tot echte vvetten, Daer staet hem die het raeckt met aendacht op te letten. Ghy svvijght des, sangh-Godin; vvant soo verheven riet En vvast aen Helicon of op Parnassus niet.

Eyndelick tot besluyt van alles, soo wil ick u noch voor-al in handen latē, eñ ten hoogsten bevelen een trou-bedenckinge, die soo verre alle houwelicxse gevallen te boven is gaende, als het aldersuyverste Goddelick Wesen de menschelike verdorventheydt. Door-leest vry trou-gevallen van alderley eeuwen en volcken met vermakelickheyt, overleghtse in u selven met wijsheyt, steltse in't werck met omsichtigheyt, en geniet vry u deel daer van met venougē: dies alles niet tegenstaende, soo sal't al te samen eyndelick komen uyt te loopen tot enckele ydelheyt, jammer en verknisinge des herten, ten zy sake dat u gesicht en oogemerck komt te eyndigē in dat groot en onbegrijpelick trouverbont hier naer volgende: door middel van het welck het schepsel wort vereenight met synen schepper, de gemeente met haren bruydegom, en de ziele met haren Salighmaker. Laet vry Salomon op-soecken tot sijn vermaeck alles wat sijn ooge wenschen magh, laet hem verkiesen menighte van inlantsche ende uyt-lantsche wijven, koninghs dochterē, Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonitische en Hethitische, tot seven hondert in getale, en boven dien drie hondert by-wijven; noch sal hy ten uyt-eynde van dien allen, klagelijck uyt-roepen, 'Tis altemael ydelheyt, jammer, ende herten-leet. En sal ten lesten tot besluyt seggen, Laet ons de hooft-somme aller leere hooren: Vreest God, en hout syn geboden; vvant dat behoort alle menschen toe. Eccl. 12.13. Siet, liev, daer alleen is eyndelick rusten lust te vinden, eñ te vergeefs wert die elders gesocht: laet daer u beste sinnen veel henē gaen, en uwe suyverste gedachtē op-stijgen, even terwijl ghy besigh zijt om voor u een gewenscht geselschap en een bequame huys-sorge te bekomen. Hy en reyst mijns oordeels niet wijsselick, die in't vorderē van sijnen wegh vergeet, wat eygentlick het eynde ende oogemerck is van dat hy begonnen heeft. En tot besluyt, laet dit een afscheyt-pant wesen van onse vriendelicke t'samen-sprake. Sophroniscus daer mede svvijgende, gaf aen Philogamus de rechter-hant met een sonderlinge toe-genegentheyt: en is aen de ander zijde van Philogamus, niet sonder diepe bevveginge syns herten, gansch ernstelick bedanckt. Ende alsoo is met eendrachtigheyt en vrientschap gheeyndight de t'samen-sprake, die niet sonder strijt en tegenheyt van bedenckinge vvas begonnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Trouringh · Jacob Cats · Poetry Cove