Op de ontschakinge bestaen by de Benjamijten de volgende. Houwelicken, door middel van ontschaken te wege gebracht, of dienstigh en nut zyn? Wat tot onschult van het ontschaken van de dochteren tot Sçilo door de Benjamijten geseyt kan werden. Swarigheden ontstaen uyt gedwongen houwelicken, en droeve exempels op die gelegentheyt. Vreemde fenijn-menginge, ende de vverckinge van de selve. Of yemant die een jonge deerne met haren wille vervoert moet verstaen vverden een ontschaker te vvesen, en daer voor magh gestraft werden? Of het soo is, dat een jonge deerne uytter aert dien lief krijght die eerst haer maeghdom ontset, gelijck sommige voor-gevē ? Of een vrou-mensch willende trouwen met haren ontschaker, sulcx by de Overigheyt behoort te werden toegestaen? Soph. Ghy hebt de memorie goet en vers (soo ick mercke) lieve Philogame, en hebt in goede ordre verhaelt al ons vorigh verhandelde. Phi. Maer zijnder oock veel meer diergelijcke bedenckelickhedē ontrent het houwelick te vinden, als wy alreede aengeroert hebben, weerde Sophronisçe? Soph. Meer, Philogame? ja by-naest sonder getal. Phi. Hoe! is het houwelick soo lange in de werelt geweest, weerde man, en zijnder noch soo veel sakē ontrent die gelegentheyt te vindē, die hedē noch in twijffel staen? Soph. Ick segge u jae, Philogame, en op dat ghy des eē preuve mooght sien, so let voor eerst op het point by ons aengeroert, Wie datter behoort te trouwen, en merckt doch hoe veelderhande vragen (alle hebbende redenen ter vveder zijden) deshalven konnen vverden by gebracht; en even-wel en vvil icker maer eenige verhalen, die my nu voorkomen, als te weten, Of een oudt man behoort te trouwen? Of een geleert man behoort te trouwen? Of een arm man behoort te trouwen? Of lieden verscheyden in gesintheyt van den Gods-dienst onderlinge wesende behooren te trouwen? Offet beter is dat twee gebreckige, als by exempel, twee stomme, blinde, of halvegecken te samen trouwen, of wel dat een sprekende, siende, en verstandigh persoon trouwe met een stomme, blinde, ofte ander ongesonden mensche. Noch wijder, Of een veroude vrijster behoort te trouwen? Of een weduwenaer, eē goede vrouwe hebbende gehadt, behoort te trouwen? Of een man of vrou-persoon boven vrucht zijnde behoort te trouwen? Of stervende menschen, nu den doot op de lippen hebbende, vermogen en behooren te trouwen Phi. Hoe! al dit ontrent dat eenigh point? Soph. De menschelicke saken, lieve Philogame, zijn by-naest alle soo gestelt, dat de selve met voor en tegen-spreken in twijffel zijn te trecken; jae dit point selfs, of alle dingē in twijffel getogen konnē werden daer kan oock selfs aen vverden getwijffelt. Maer even-wel daer zijn oock onder ons eenige vaste en blijckelicke gront-stuckē, daer op men staen magh, alsmen plaets wil geven aen menschelicke redenen. Phi. Maer zijnder oock sodanige twijffelachtigheden ontrent den ingangh van het houwelick, daer ick te vorē van gewaeghde? Soph. 'T is al het selve, lieve Philogame, en misschiē souder noch al een meerder getal te vinden zijn. Phi. Ick bidde, laet ons daer mede al eenige staeltjens van hebben. Soph. 'T is nu al een geruymen tijt, dat ick de gedachten daer over niet en hebbe laten gaen, weet-gierige jongelingh, daerom en hebbe ick de memorie over die saken soo vers niet, als wel voor desen; maer dien onvermindert, soo gedenckt my, dat ick in mijn jonckheyt over dese gelegentheyt in bedencken plagh te nemen dese of diergelijcke vraegh-stucken, als te weten, Of yet lief te hebben, ofte te begeeren een en de selve sake zy? Of de liefde voort-komt uyt eygen verkiesinge, ofte uyt heymelicke in-vloeyinge? Of het verbieden van de geminde te mogen genaken een belet is van voort-gangh van de liefde? Of de liefde jonge lieden dienstigh of ondienstigh is? Of het beter is uyt voorgaende onderlinge liefde te trouwen, of door verkiesinge van ouders en vrienden?
Of het beter is lange of korte vryagien te maken? Of het beter is een vrijster te nemen die veel of weynigh vrijers heeft gehadt? Of het goet is malkanderen voor het trouwen met trou-belofte te verbinden? Of men dan niet malkanderen van trou-beloften magh quijt schelden? Of men liefde kan setten ter plaetse daer men wil? Of men syn liefde kan in-trecken en af-leggen als men wil? Of het af-wesen van dat men bemint de liefde vermindert of vermeerdert? Of het verkrijgē eñ besitten van datmen lieft de liefde uyt-blust of grooter maeckt? Of men op eenen tijt twee te gelijck kan lieven? Of het soeter is te lievē, of gelieft te werden? Of yemant die gelieft wort is gehouden tot weder-liefde? Of jaloesie of yver-sucht een teycken is van ware liefde dan niet? Of het trouwen beter is voor eē man of voor een vrou-mensch? Of een droeve of een blijde verlieftheyt bequamer is? Of in 't begin van de vryagie eerst de ouders of eerst de vrijster dient aen-gesproken? Offet geraden is voor een vrou-mensch een vrijer te trouwē die noyt 't geselschap van een vrouwe te voren gehadt heeft? Of een jongelingh by een jonge deerne bevonden zijnde, ende aldaer gedwongen werdende haer trouwe te belovē des verbonden is, dan niet? Of tusschē een man en vrou-persoon vrientschap kan gehoudē werden sonder insicht te hebben op gemeenschap van bedde? Of men naukeurigh magh zijn, om te onder-soecken door vvaer-seggers ofte diergelijcke, wat man of vrouwe men voor syn echte deel sal bekomen, en of men meer als een man of vrouwe hebben sal? Of trou-beloften moeten gedaen werden ter weder-zijden, en of een vrijer belovende te trouwen aen sulcken eenen daer in verbonden is, schoon sy van haerder zijde geen belofte en doet? Of het beter is dat jonge liedē, eerst ten houwelick gekomen zijnde, stracx op haer selven gaen woonē en selfs huys-houden, dan offet beter is dat gehoude kinderē by haer ouders, of de ouders by gehoude kinderen haer wooninge blijven houden? Of men aen yemant die niet tegenwoordigh en is magh trouwe beloven, ende belovende, of men daer in gehouden is? Hoe verre dat yemant het houwelick van een derde belovende verbonden is? Of trou-beloftē, uyt sake van eenige sonderlinge mismaecktheyt, d' een of d' ander van de verloofde over-gekomen, mogen gebroken worden? Of yemant in het gevoelen zijnde, dat een deerne groote middelen heeft ten tijde hy haer ten houwelicke versoeckt, een vader ofte vooght (soo het anders wesen mochte) sulcx den vrijer gehouden is te openbaren? Of eē deerne haer misgaen hebbende in haer eere, versocht werdende ten houwelicke, een vader of vooght van sulcx is gehoudē den versoecker te waerschouwen? Of een man noch bequaemheyt hebbende om kinderen te telen magh een vrouwe nemen die boven vrucht is? Of yemant last gegeven hebbende om een houwelick voor hem te versoecken ende te sluyten in een ander plaetse, indien hy syn last (daer hy is) quame te weder-roepen, of het houwelick sal voor gesloten gehouden moeten werden, dan met? Of eē verloofde vrijster yemant trou-belofte dede, om uyt schip-breucke of een ander merckelick perijckel behoudē te werden, wie voor soude gaen, de eerste of de leste? Of een recht verlieft jongelingh testament magh maken? Offet beter is een weduwenaer of een vrijer van gelijcke jaren te trouwen? Of het betamelick is, dat een vrijster eē vrijer te gaft noodt? Of een jonge deerne van vryagie aen-gesproken zijnde sulcx aen hare ouders terstont dient te openbaren? Of yemant last hebbende, ten houwelicke te versoecken de cameniere, en kans fiende tot de juffer selfs, sulcx soude vermogē te doen? Of een deerne met oneerlick aen-raken mishandelt zijnde aen den rechter haer dient te beklagen? Of het geraden is te trouwen op een schilderije van de vrijster, sonder haer te sien? Of tweede en voordere houwelicken prijsselick zijn? Of de ouders even groote macht hebben om een houwelick door te dringē als het selve te beletten? Of vader en moeder gelijcke macht hebben in 't toestaen en afslaen van de houwelicken haerder kinderen? Of yemant by een jonge deerne syn troutjen verquackelt hebbende, magh naderhant seggen, sulcx alleen om 't jocx geschiet te zijn, en daer mede magh ontslagen wesen? Siet daer, Philogame, een deel voor-loopers van mijn vraegh-stucken op dese gelegentheyt. Phi. Gewisselick ick en hadde noyt gedacht, dat in het vverck der jonckheyt soo grootē stoffe was om de verstanden te oeffenen; maer ick achte dat hier mede de schatkamer van uwe memorie is uyt-geput, of dat de saken, uyt de verwerringe van de vryagie gebracht zijnde, geen ofte weynigh soodanige bedenckelicke vraegh-stucken meer te vinden zijn. Soph. 'T is al mede een misslagh, soete jongelingh. want soo voor het maken, in het maken, als naer het maken van houwelicken komē allenthalvē dusdanige twijffelachtige bedenckinge voor den dagh; en, als ick mijn memorie wat ververschen mochte, ick souder u eē groote menighte uyt konnen brengen op alle de gevallē by u voor-geftelt. Phi. Zijnder dan oock eenige nae den in-ganck van het houwelick? Soph. Iae niet weynigh, soete jongelingh, en ontfanght my dese ter goeder rekeninge. Voor eerst, Of een vrouwe merckende dat haer schoonheyt yemant gaende maeckt gehouden is die te bederven? Of een man belovende aen syn vrouwe haer misdaet te vergeven, soose haer schult wil bekennen, ende daer nae overspel bekennende, hy de selve magh verlaten? Of een vrouwe die in't heymelick verkracht is wel doet sulcx te openbaren? Of de natien die veel wijven trouwen meer vernugen hebben uyt veel vrouwen, als men hier uyt eene doet? Of een vrouwe verlaten magh worden die voor haer houwelick haer in haer eere heeft verloopen? Of een bruyt verlaten magh werden vermits sy bevonden vvert sogh in haer borsten te hebben? Of men magh bedingē, voor het houwelick, dat het wijf sal vooght zijn, en sulcx gedaen zijnde, of, een van beyde de gehoude daer van willende af-wijckē, de tweede sulcx magh weygeren? Of een mans-persoon kan ontschaeckt werden? Of men onder conditien een vrouwe magh trouwen, te vveten, indiense een sone krijght, ofte indiense maeght bevonden wert, of diergelijcke? Of het tot een sekeren tijt geoorloft is te trouwen? Of d' overheyt haer borgers magh dringen en dwingen om te houwelicken? Wat het eygentlick te seggen is, dat men vader en moeder sal verlaten en den man aen-hangen? Of een vrouwe haren vader ofte haren man moet toe-vallen in eenigh verschil daer haer man ongelijck in heeft? Of een vrouwe haren man magh verlof geven om een ander wijf te gebruycken, indien sy onvruchtbaer is, of diergelijcke? Of eē man of vrouwe in haer t' samen-komfte een schoonder sigh mogen inbeelden? Of om oneerlick en dertel hant-gespel een beloofde verlaten magh werden? Of een Vasael het wijf van synen leen-heer oneerlick betastet of gekust hebbende van syn leen kan verstaen vverden vervallen te zijn? Of een vrouwe hertneckelick weygerende haer in redelickheyt te voegen, verlaten magh werden? Of een man moetwilligh sigh ontmannende van de vrouwe magh verlaten werden? Of een vrouwe magh trouwen met een man diese weet onmachtigh te zijn totte voorteelinge, en sulcx geweten hebbende, ofse naderhant, om de selve redenen, ven hem vermagh te scheyden? Of een vrouwe gehouden is te volgen een man genegen tot lant-loopen? Phi. Maer wat raet om de gronden deser saken, immers van de bysonderste der selver, wat naerder te ondersoecken, op dat ick niet alleen de vragen, maer oock de redenen der selver voor en tegen, en eyntelick u gevoelen over de selve mochte verstaen? Soph. Een groot getal van de selve soude verhandelt konnen vverden by gelegentheyt van de volgende trou-gevallen; maer het is nu eenmael genoegh voor desen tijt de tongh en sinnen hier op geoeffent te hebben.
Phi. Dewijl het dan, weerde Sophronisçe, u alsoo gelieft, soo wil ick hier een eynde makē. maer weet dat ick jegenwoordelick van u scheyde, niet gelijck leeuwen of beiren, ofte ander wilt gedierte, haer banden af-gebroken hebbende, naer het wout loopen, om noyt vveder te komen, maer even soo als hoenders of duyven, en diergelijcke tam gevogelt uyt syn kot gaet of vlieght, houden staegh een opset en voornemen om haest weder te keeren. Soph. Ick verstae wat ghy seggen wilt, jongelingh, doet soo, en vaert wel.
Alis een sake noch soo goet, VVeet datjer maet in houden moet.
Cookies on Poetry Cove