Skip to content
1637

Trouringh

Jacob Cats

Bedenckingen Op 't voor-verhaelde trou-geval.

1.ONgelegentheydt ontstaende uyt te jongh te trouwen: ende trou-tijdt wanneer, ende tot wat jaren, best. 2.Of het goet zy kinders in de wiege, of andersins noch jongh zijnde, onderlinge te verloven. 3.Bed-geheym niet te melden. 4.Verre reysen van gehoude mans, sorgelick. 5.Wanneer een vrouwe magh hertrouwen by het af-wesen van den man. 6.Of een vrouwe, om on-macht van den man, den selvē magh verlaten: en van den nestel-knoop in Vrancrijck. 7.Kint in overspel gewonnen hoe wettigh wesen kan. 8.Yemants partuyr gaende te maken, ende tot oneere te verlocken, onbetamelick, ende by God doorgaens hart gestraft.

Philogamvs. ICk hebbe in u af-wesen, weerde Sophronisçe, gelesen het Frans trou-geval, dat op syn ordre in ons begonnen bouck quam te volgen: het welcke ick het selsaemste ende ongehoorste oordeele te wesen van al dat ick van die ghelegentheyt oyt gehoort, of in boucken gevonden hebbe; dies bidde ick u, my sonder eenige wijt-loopende buyte-redē, nu deelachtigh te maken van uwe in-vallen op het selve stuck. Soph. Het eerste dat my op dese selsame gheschiedenisse voor-komt, lieve Philogame, is dat my dunckt dat dese twee getroude lieden te jongh te samen zijn geset geweest, en mitsdien geensins bequaem tot houwelicke plichten; en daer uyt hebben voor-eerst de volgende ongelegenthedē haer begin genomen. Want ick ben van gevoelen dat, gelijck het voor oude lieden onbetamelick wort geoordeelt haer ten houwelick te begeven, dat even het selve de teere jonckheyt geensins dienstigh is; gelijck sulcx by de rechts-geleerde, medeçijnen, ende natuyr-ondersouckers, eenpaerlick wert gelooft, en vast gestelt. En voor-eerst wat de bejaerde lieden in desen aengaet, dewijle de soodanige door de nature selfs werdeē geleert wat hen-lieden in dit geval te doene staet, soo behooren de selve met den poëet Horatius te seggen:

Ick was in mijnen tijt eens lieftal aen de vrouwen, Ick kon, met goeden lof, de vrijsters onder houwen; Maer dat is nu gedaen, de wijl een grijsen baert Voortaen my niet en raet om meer te zijn gepaert.

Ick vinde onder-dies vremt hoe in Vrancrijck heeft toe-gestaen konnen werden, datter een houwelick is geslotē geweest tusschē twee soo gansch jonge lieden, elck niet boven de thien jaren oudt zijnde, als Corasius in dese geschiedenisse getuygt: daer het (mijns oordeels) noch vry jongh genough is, dat het gemeen recht ofte de Romeynsche wetten toe-latē, eē vrou-mensch tot haer twaelf jaren, ende een jongelingh tot syn veerthien jaren te mogen trouwen. L. 9. ff. de Sponsal. l. 4. ff. de Ritu nupt. Phi. De wetten, weerde Sophroniçe, behooren nochtans op vaste gronden te steunen; dewijle in 't gemeen de wijste van den lande met het makē van de selve besigh zijn. En hoe kont ghy dan vremt en niet volgens de nature oordeelen te wesen, dat in Vranckrijck in desen deele geschiet; dewijle men metter daet ondervint, dat ontrent die jarē de nature de gestaltenisse van't lichaem plagh te veranderen, en teyckenen uyt te geven ten voorsz. eynde dienende, gelijck ghy weet hoe de Rechten eñ oock de onder-souckers van de nature daer van spreken. Iae 't is gevonden en by de ervarentheyt betuyght, datter beyde mans ende vrou-personen ontrent de thien jaren kinderen geteelt en gedragen hebben. Exempla pete ex Arnisaeo tract. de jur. connub. cap. 2. sect. 3. num. 10. & 11. Soph. Ick weet dat sommige even alsoo reden-kavelē als ghy nu doet, lieve Philogame. Dan voor-eerst wat de gemeene Rechten aengaet, die laten wel toe, maer en gebieden niemant soo vrough te trouwen; in tegendeel van dien soo siet men uyt de selve, datse het vrough trouwen ontijdigh en quaet oordeelen. c. 2. §. novimus. Nov. 200. verb. vehementer citò contrahunt nuptias. En in allen gevalle moet in desen onderscheyt van volcken ghemaeckt worden; want d' eene natie vrouger, d'andre later rijp wort, na de gestaltenisse van de lucht, voedsel, ende andere omstandigheden. Onse voor-ouders hebben gansch schandelicken geacht voor de twintigh jaren een vrouwe te gebruycken. Caesar lib. 6. de Bello Gall. De Griecsche wijsen hebben den trou-tijt van dē man ontrent de dertigh, van de vrouwen ontrent seventhien jaren geset, als de Griecsche poëet Hesiodus getuyght:

Verk est bequamen tijt om wel te mogen paren, Een man beginne werck ontrent syn dertigh jaren, Een vrijster magh het doen ontrent de seventhien, En eer (om wel te gaen) en magh het niet geschien.

'T en is oock geen goet besluyt te willen seggen, de nature geeft genegentheyt tot eenige saken, en daerom moet men de selve dadelick in 't werck stellen: niet alsoo, lieve Philogame, alle de bewegingen die de menschen uyter nature in sigh gevoelen (als lust tot eten, drincken, spelen, slapen, en diergelijcke) moeten van de redenen en wetten besneden, betoomt, en in ordre gehouden werden: en soo mede de uyt-puylende driften tot de teel-sucht, daer wy nu van sprekē. De nature moet tijt hebbē om haer te bereyden en bequaem te maken tot het werck, sonder dat men de selve in hare bcginselē yet moet vergen dat haer, als een nieuwe ende eerst op-gaende vlamme, terstont soude doē verdwijnen eñ uyt-gaen. Gelijck men oock siet dat nieu-geplante boomē niet eer en die-nen gesnoeyt, voor de selve in vollen wasdom zijn. Phi. Maer wat insichten hebben doch de geleerde daer in, dat mē de jonckheyt niet toe en laet te doen daer sy van nature krachtelick toe wert gedreven? Ick hebbe van een wijs man lestmael verstaen, dat voor de eerbaerheyt van de jonge deernen, ontrent haer eerste mondigheyt, sonderlinge moet gesorght werden; vermits de selve in die worstelinge van de nature gansch stercke driften in haer gevoelen, om andere by-slapers te ghebruycken als de selve te voren zijn ghewoon te doen: ende van jongelingen seyde hy van gelijcken. Waerom dese ghelegentheyt niet in-gevolght? en waerom niet het houwelicken aen de selve toe-gestaen, waer door de gemeene sake aen-teelinge vā goede borgers, ende de jonge lieden haer toe-genegentheyt souden genieten? Soph. Aen-queeckinge van goede borgerije te willen verwachten uyt soo kiekenmurruwe jonge liedē, goede Philogame, is eē groote mislagh; soodanige by-een-komste en geeft niet anders als slappe, meepse, en gansch swacke af-setselen, die (als vruchten voor haren tijt gepluckt) in korten tijt vergaen. Een groot Philosooph heeft seer wel gemerckt, dat al te jonge en al te oude lieden niet als swacke kinders en teelen, ende voor het meeren-deel vrouwelicke schepselen: (Arist. 7. Polit. cap. 2. & 16.) om dat in de eerste de natuerlicke wermte noch niet volmaeckt en is, en dat de selve in de tweede alreede vervalt. Siet daer voor-eerst een groot ongemack voor dese vrougelingē. ten anderen, en isset niet wel te seggen hoe schadelick dit werck is voor alle jonge lichamen, en wat voor ongestalten daer uyt herkomen. (Alex. Epid. sect. 6. can. 3. Vid. Arnis. cap. 2. sect. 3. num. 7.) En insonderheyt heeft hier door te lijden een soo jonge moeder, alst op een kint-dragen en baren aen-komt. (Iuniores mulieres gravius laborant in partu, & plures intereunt. Aristot. 7. Polit. cap. 16.) Waer by komende dat soodanighe jonghe domme lieden (die maer in de werelt en beginnen te sien als in een hollen pot) haer selven geensins, en veel min haer huysgesin, konnen besorgen: ende mitsdien dickmael verdroncken zijn, eer sy (soo men seyt) het water kennen. Van gelijcken dat een man van soo groene jaren geen aen-sienelickheyt onder syn huys-genoten hebbende, ende syn vrouwe onbequaem zijnde om hem die te geven, het de huys-houdinge ontwijffelick ten besten niet gaen en kan: sulcx dat uyt dese verhaeste houwelicken geen voordeel, maer na-deel, voor het gemeen is te verwachten; want 't is van alle tijden gemerckt, dat ontijdige houwelicken niet anders hebben voort-gebracht als berou en veelderley ongelegentheden. Phi. Segh my dan eens (naer u oordeel) den bequaemsten tijt van trouwen, soo voor de jonge lieden, als voor de gemeene sake. Soph. My dunckt dat dit versken u dat leeren kan, soo ghy het niet en weet:

Indien ghy soeckt een aerdigh paer, Soo geeft een maeght drie-seven jaer, De jonghman seven boven dien, En groetse dan voor echte lien; Een vveynigh meer of vveynigh min Dat maeckt een eerlick huysgesin.

Phi. Ick wil sulcx als ghy nu geseyt hebt2. voor goet op-nemen: maer segh my doch wat ghy hout van de trou-beloften, die hier voormaels dickwils, ende nu noch somwijlen werden gebruyckt, sonderlinge onder de groote: (Exempla vide apud Arnisae. cap. 2. sect. 2.) te weten, als de ouders haer kinderen noch in de wiege leggende, ofte gansch jongh van jaren zijnde, onderlinge verloven, om met haer mondige jaren de gedaen beloften te voltrecken. Soph. Ick antwoorde met een woort, dat ick alle soodanighe trou-beloften houde voor ondienstigh, en selfs krachteloos: het zy dat de selve geschieden tusschē twee kinderen, ofte dat een der selver van rijper jaren zy. (c. 2. c. de illis. Decretal. de desponsat. impub.) En de redenen daer van zijn kennelick; want dewijle geen soodanige beloften gesloten en konnen werden, als met onderlinge bewilginge vā de gene die het aengaet, en dat in dit geval by gebreck van oordeel geen bewilginge en kan gedragen werden, soo ontbreeckt hier een noodigh stuck, en mitsdien en deught het werck niet. Phi. Maer schoon dese trou-beloften van den beginne niet vast en zijn gheweest, nochtans de verloofde te samē op-wassende, ende by den anderen op-gevoedt werdende, bevestigen daer nae 't gene te voren by de ouders is gedaen. Soph. Dat en gaet niet vast, goede Philogame, jae dickwils siet men gansch het tegen-deel; want sy luyden siende haer als gebonden te zijn aen malkanderen eñ geen vrvheyt te hebbē van verkiesinge (als andere jonge lieden) krijgen dickmael een af-keer van den anderen; dewijle men veeltijts siet dat de mensche tot saken die moeten zijn, minst genegē is: oock gebeurtet dickmaels, dat de gestalte en aert van de verloofde niet over een en koomt: waer door dan terstont groote verwijderinge wert veroorsaeckt tusschen de teere gemoederen. En hoe het zy, geleerde en godsalige mannen hebben ghemerckt, dat dusdanige ontijdige trou-beloften by de ouders over hare onmondige kinderē onderlinge gemaeckt, gemeenlick eyndigen met haet, vyantschap, ende andere ongelegentheden; vermits dat veeltijts in dusdanige handelinge niet en wert gesien op het ware eynde des houwelicx, maer veel eer op gierigheyt, ofte eergierigheyt, die men daer mede voor heeft: waer door Godes segen van de selve wert af-gewent. (Beza de Repud. pag. 82. Coras. annot. 1. in arrest. Tholos. Melanth. & alij.) Wat beroerten en vint men niet in de historien ontstaen te zijn uyt dusdanige ontijdige beloften, als d'een of d'ander, beter gelegentheyt elders siende, van de selve is geweken, en dat dan van de andere zyde wraeckgierigheyt wert op-genomen, om sulcx aen de gebrekige uyt te wetten! Siet wat hertogh Ian van Borgognien niet ter hant en nam, om sigh te wreken van Lovvijs van Anjou, vermits de selve hem syn dochter (niet tegenstaende vorige trou-beloften) weder t' huys hadde ghesonden, en verscheyde andere exempelē zijn wel te vinden. (Exempla vide apud Arnisae. cap. 2. sect. 2. num. 11.12.) Ick besluyte dan, dat het beste is op het doen van een houwelick sigh lange en rijpelick te beraden: maer als het eenmael gesloten is, dan het selve met aller yl en spoet te voltrecken, op datter (gelijck men seyt) geen swarte katte tusschen en kome: (Iuratus enim hostis matrimorij, est milleartifex ad illud impediendum. Arnisae. d.l.) en dat daerom alle ouders is te raden, datse malkanderen onderlinge niet en beloven datse sigh metter daet niet en konnē doen hebben: maer datse hare kinderen haer vryheyt laten tot haer bequame jaren, en soo lange tot dat de selve het gene datse belovē selfs bequaem zijn uyt te voeren. Phi. Ick vinde uwe redenen volkomelick dienstigh voor 't gemeen: ende om nu voorts te gaen, soo verwachte ick u vordere bedenckingen op dese geschiedenisse. Soph. Ick houde vast dat onse Guerre onder andere een grooten misslagh heeft gedaen,3. te meldē aen syn kamerade ofte krijgsmaet het innerste geheym vā het houwelicxbedde: waer door hy oorsake en gelegent. heyt heeft gegevē aen dien doortrapten lincker, om syne Bertrande te doen gelooven dat hy jae was haer eygen, echte, en wettige man: alsoo sy vermoedelick vast stelde, dat het niemant mogelick en was de verborgentheden van haren leger te verhalen, als even Guerre haer man selfs. Alle gehoude lieden dienen (mijns oordeels) dit voor een lesse op te nemē om sigh van gelijcke onbedachtheyt en ongeregeltheyt te onthouden; vast stellende datter geen beroup, geen kunst, geen wetenschap en is, of sy en heeft haer geheymenissen, die versegelt dienen te blijven, en niet geopenbaert te werdē, als aen de gene die daer toe eē sonderlingh voor-recht zijn hebbende. 'T is daerom wel geseyt,

Wat in het bedde wort gesproken, Dient met het laken toe-geloken.

En dese of diergelijcke waerschouwinge behoort te staen op het voorste deel van alle bed-steden, daer echte lieden haer legher houden,

Indien u lief of leet in't houwelick geschiet, Gehouden, zijtje wijs, en melt den handel niet.

Dit is de klippe geweest daer Candaules eē groot-vorst van Sarden schip-breuck heeft geleden; want hy niet te vreden zijnde, aen eenen Gyges synen lijf-trawant bysondere saken te verhalen tusschen hem ende syne gemale in de slaep-kamer voor-gevallen: maer hebbende boven dien bestaen te willē monsteren met de schoonheyt van de selve, ende haer daerom naeckt aen den voornoemden Gyges vertoonende, is oorsaeck geweest, dat hy door de grootmoedigheyt van de eerbare prinçesse beyde syn rijck en leven heeft verloren. Dese aen-merckinge docht my hier niet vergeten te moeten werden. Wat hebt ghy meer aen-gemerckt, daer op ghy mijn oordeel soeckt te verstaen? Phi. Ick sie dat Guerre een seer langen4. tijt van huys is geweest, jae wel ontrent ofte meer als twaelt geheele jaren: en daer uyt rijst een aen-merckinge (soo my dunckt) of voor man en vrouwe soo een langh af-wesen van malkanderen behoorlick en geoorloft is. Soph. Voor my, weerde Philogame, ick vinde sulcx geheel onhuysselick ende ondienstigh; want ghelijck het by-wesen voedt en aen-queeckt de liefde en goede genegentheyt, soo houde ick dit het af-wesen (sonderlinge als het lange duert) is als een moeder van af-keerigheyt en onminne: en daerom heeft een Out-vader wel geseyt, dat een man, sonder wille van syn vrouwe, lange uyt syn huys wesende eeniger maten oorsake is dat de selve haer koomt te verloopen in buyte-lust en overspel: (August. lib. de adulter. conjug. Refertur c. si tu abstines 27. quaest. 2. c. 24.) Iae daer zijn rechts-geleerden (Pet. Raven. in suo. alphab.) die seggen derven, dat een rechter, in soodanigen gevalle de vrouwe haer ontgaende, al vry tot verschooninge van de selve het lange af-wesen van den man behoort op te nemen. Het welcke ick mede eeniger maten kan toe-staen, behoudens even-wel dat uyt sulcx de vrouwen geē oorsake en werde gegevē om sigh in hare lusten te verschoonen: dewijle de heydenen selfs niet toe en hebben willen staen aen de vrouwen (oock by langhdurige absentie van de mans) een ander te mogen trouwen, 't en ware sake dat de selve sekere tijdinge van syn doot konde vertoonē. (L. Vxores. ff. de divort. & Auth. hodie. C. de repudijs. Phi. Maer ick hebbe my laten seggen in Engelant wesende, aldaer een gebruyck te zijn, dat soo wanneer een man sigh voor eenigen tijdt af-scheyt en onthout van syn vrouwe, eñ dat de selve middeler-tijt quame swanger te werden, dat het selve wert verstaen te wesen voor rekeninge van den selven haren man, schoon hy oock meer als negen maenden uyt syn huys hadde geweest: te weten, ingevalle de selve midder-tijt het rijck niet en heeft verlaten: ende en wert de man oock op syn eedt niet gelooft, willende verklaren dien geheelen tijt syn wijf niet te hebben beslapen; zijnde het vermoeden van rechten soo sterck voor de vrouwen, dat daer tegens geen bewijs en wort toe-gelaten. Soph. Dat gebruyck (sooder een soodanigh is) moet verstaen werden aldaer te wesen in-gevoert, om den man een spoor te geven, niet soo lange van syn partuyr sigh te onthouden. Phi. Dese en diergelijcke dingen zijn dienstigh bedacht te werden in desen onsen tijt, daer veel mans soo langhdurige reysen op Oost en West-Indien ter hant nemen, en dickwils veel jaren uyt-blijvende, op haer weder-komste de huys-houdinge in selsame gestalten vinden. Maer ick sie dat de lieden veel genegen zijn de vrouwen in die ongelegentheyt vry wat te verschoonen: en ick hoorde tot dien eynde lestelick verhalen, dat de Heerē Staten van de vereenighde Nederlanden in beraet hebben gestaen, of men het overspel niet met den doot en behoort te straffen, als in Godes woort, en in veel landen noch wert gedaen: en dat sulcx vermoedelick goet soude gevonden zijn geweest, ten ware sake geweest dat eenige leden van de selve in bedencken hadden gebracht, wat men in soodanigen gelegentheyt, en als de lijf-straffe waer vast gestelt, soude doen met vrouwen van de gene die soo lange op haer reysen uyt blijven: en of men sonder onderscheyt die mede soude verstaen met den doot te straffen, soo wanneer die bevonden souden mogen werden het geselschap van andere mans gebruyckt te hebben. Het welck alsoo by de leden van de vergaderinge seer bedenckelick werdende geoordeelt, is het geheele stuck tot noch toe sonder besluyt blijven staen. Maer wat is u gevoelen van soodanighe mans? Soph. Datse behooren of ongetrout te blijven tot op haer weder-komste, ofte datse de vrouwen met haer behooren te nemen, ofte datse niet te naeu-keurigh en willen wesen in 't ondersoecken van alles dat in haer af-wesen is voor-gevallen. Phi. Maer isset de vrouwen niet gheoorloft nae rechten, als de man drie jaer uyt5. den lande is geweest, en dat men niet sekers van hem en kan weten of hy levende of doot is, haer elders te mogē versien; gelijck sulcx haer geoorloft is, als een man in drie jaren haer de schuldighe goetwilligheyt niet betaelt en heeft? Soph. Neent, lieve Philogame. Ick en weet van geen andere rechtē, als daer van ick alreede hebbe verhaelt: te weten, datter moet blijcken van des mans overlijden, aleer een vrouwe wert toe-gestaen te mogen komen tot een ander houwelick. En wat de drie jaren belanght, daer van ghy gewaeght, die en zijn niet te passen op dese ghelegentheyt, als niet gemeens daer mede hebbende; maer op onmacht van de man drie jaren langh geduert hebbende.

6. Phi. Wel laet ons van die stoffe hier al mede wat spreken, dewijle onse historie mede daer toe aen-leydinge is gevende, en dat ick uyt de selve verstae, dat Martijn Guerre geheele acht ofte negen jarē onmatigh is geweest syn vrouwe de schuldighe goetwilligheyt te betalen? en dat door eenighe quade kunstē, die men in Vrancrijck de geknoopte nestelingh noemt. Ick bid segh my een weynigh wat u derhalven bekent is. Soph. Op een tijt, goede Philogame, als ick in mijn jonckheyt in Vrancrijck was, soo gebeurdet schier soo haest ick daer aengekomen was, dat seker jongh paer volcx, in de gebuerte daer ick my doen onthiel, des nachts sigh liet bevestigen in de trouwe: en alsoo ick vraeghde, waerom sulcx by nachte en niet by dage en geschiede, wert my tot antwoorde gegeven, dat het selve soo wert goet gevonden, om te ontgaen het knoopen van den nestel, daer mede dese jonge lieden werden gheseyt gedreyght te zijn; dewijle veel menschen van ghevoelen zijn, dat voor der sonnen op-gangh dese spokerijen geen kracht en souden hebben: ofte immers, datter des nachts niemant (als de naeste vriendē ) kennisse van het trouwen en is hebbende. En alsoo ick vorder vraeghde wat dit was, en hoe het in 't werck gestelt wert, is my vorder verhaelt van de gene die het schenen wel sekerlick te weten, dat onder het trouwen, en als de priester aen de jonge lieden de handen doet vougen, yemant tusschē beyden eenige spoock-woorden mommelt, ende daer op een knoop inde nestel leyt, hy daer mede den bruydegom onbequaem maect om syn bruyt te mogen genieten, zijnde even-wel de selve bruydegom niet onbequaem het geselschap van andere vrouwen te gebruycken. Phi. Wel dunckt u dat dit alsoo kan geschieden, en dat een boos-wicht door quade kunsten soo veel soude vermeugen, even juyst ten aensiene van het deel dat hem wettelick is toe-gevought? Soph. Mijn gevoelen en soude misschien van geen groot bedencken hier in wesen, dewijle wy (God moet des hoogelick gedanckt zijn) in onse landen des geen exempels en weten. En van andere landen, en wat aldaer om gaet, en derven wy soo volmondelick niet spreken, dewijle wy den aert van de selve van langer hant niet wel en hebben doorgront. Wy laten dan sulcx doen de gene die des uyt ervarentheyt volle kennisse zijn hebbende: onder de selve is Iohannes Corasius een groot rechts-geleerde, ende boven dat een wijs, ervaren, en geleert man, aen wien niet licht eenige beuselingen in de hant zijn te steken: dese seydt onder andere, van dit werck sprekende, in eygen woordē aldus: Ick soude alle dese dingen onvvaerschijnelick oordeelen, ten vvare my, door ontallicke exempelen, van de vvaerheyt deser saken dagelicx quame te blijcken. Annot. 22. in arrest. Tholos. Boven dien soo getuygen geleerde Theologanten, mitsgaders de geestelicke rechten, oock mede eenige oude Rabbijnen sulcx inder waerheyt te geschieden. D. Thomas. 3. p. 4. q. 58. art. 2. & alij citati ab Euriquez lib. 2. de matr. c. 8. c. si per sortiarias. 33.1.4. & tot. tit. de frigid. & malef. Phi. Dit klinckt my al vry wat selsaem in de oiren, ende daerom woude ick wel wat naerder onderrecht wesen van dit stuck, en hoe verre dese of diergelijcke onmacht in achtinge koomt, in 't trouwen, scheyden, ofte t'samen blijven van gehoude personen. Soph. De onmacht in de mans-personen en is niet eenderley, goede Philogame: want daer worden mans ghevonden, aen de welcke de geheele leden tot de voortelinghe dienende ofte ghebreken, ofte immers soo onstaltigh zijn, datse onbequaem zijn om vrouwen te gebruycken: ende de soodanige is het ongeoorloft sigh ten houwelicke te mogen begeven: (L. si serva. §. spadoni. ff. de jure dot.) ofte in gevalle de selve sulcx hebben onderstaen, en sigh tot een vrouwe hebben laten vougen, soo wert de selve vrouwe (des versoeckende) vry gestelt om een anderē man te mogen trouwen: verstaen werdende, het houwelick in dien ghevalle niet te zijn ontbonden, maer van onwaerden verklaert, als te voren in sigh selvē niet hebbende bestaen: en van dese sorte en is niet gheweest onse Martijn Guerre. Dan daer zijnder die door het binden van de nestel, ofte andere quade kunsten, onbequaem werden gemaeckt, somtijts ten aensiene van alle vrouwen, somtijts alleen ten aensiene van de gene daer mede sy gemeenschap van bedde verstaen te hebben: als, te weten, van haer eygen bruyt, als onse Guerre schijnt gestelt geweest te zijn. Soo leest men dat Amasis koningh van AEgypten door dusdanige spokerije is onmachtigh gemaeckt geweest van 't gebruyck aller vrouwen, als Herodotus in syn 2. boeck verhaelt: soo is oock de ko-ningh Theodoricus onbequaem gemaeckt ten opsien van syn vrouwe, niet vē syn by-wijfs, als Paulus AEmilius in vita Clotarij verhaelt; soo is Galeacius Sforsa onnut gemaeckt geweest voor syn huys-vrouwe Isabelle van Aragon, als Guicciardin vertelt. Ende dusdanighe ongelegentheyt en wort niet gehouden voor altijt duerende, maer alleen voor eenen sekeren gesetten tijt, ofte tot dat de spokerije met eē tegen-sweringe wert vernietight: het welcke Ioh. Corasius getuyght in Gascognen dickmaels te geschieden. En daerom wert vast gestelt, dat om die oorsake wille geen houwelicken en werden vernietight, ten zy sake sulcx dry geheele jaren achter den anderen hadde geduert: in welcken gevalle (nademael men dan hout sulcx een geduerigh gebreck te sullen wesen) wert de scheydinghe toe-gestaen. c. Fraternitatis, & ibi gloss. de frigid. & malef. Coras. num. 22. in arrest. Tholos. Even-wel wat my belanght, soo soude ick in twijffel stellen, of oock om soodanige oorsakē het houwelick kan gescheyden werden, dewijle sulcx alleen om overspel by Godes woort wert toe-gelaten. Phi. Maer ghy en hebt met my noch niet al gedaen, weerde Sophronisçe: met vragen (seydt ons spreeck-woort) wort men wijs, maer onweert; u bescheydentheyt (vertrouwe ick) sal my de onweerdigheyt afhoudē, en de wijsheyt latē toe-komē: en daer op derf ick u noch dese vrage doen, hoe dat7. een kint in overspel geteelt, en uyt overspel geboren, kan verstaen werden als wettigh erfgenaem te wesen in syns vaders naer-gelaten goederen. Soph. De vrage is wel gedaen, en 't en verveelt my niet u daer op in 't korte te berichten, hoe-wel datter veel toe geseyt soude konnen werden. weet dan, dat het kint in desen geroert wort verstaen wettigh te wesen, uyt redenen dat de moeder ter goeder trouwen in alles hadde gegaen, meynende het selve kint eerlick van haren man, en niet van een bouf, t' ontfangen: zijnde de rechten soo goedertieren ten aensiene van de kinderen, dat de selve op de goede trouwe van een van de ouders de kinderen voor wettigh aen-nemen. Vid. annotata Corasij in arrest. Tholos. num. 11. & 95. Phi. Ick hebbe (nae my dunckt) in de rechten gelesen, dat ingevalle een vrouwe een slave quame te trouwen, meynende den selven een vry persoon te wesen (de sake ondeckt werdende) de kinderen voor onwettigh gehouden te moeten werden. Soph. Dat is eē gansch bysonder geval, ende in haet van de slaven in-gevoert, die als schier voor geen menschen werdende gerekent, geen houwelick en vermochten aen te gaen; maer in alle andere gevallen wort de sake voor de kinderē ten besten geduyt. want ingevalle een priester sigh tot trouwē quame te begeven, de vrouwe van syn gelegentheyt onbewust wesende; de kinders in soodanigen houwelick gewonnen zijnde, werden verstaen wettige ende geen bastaerden te wesen: want om eē kint onwettigh te maken, moeten beyde vader eñ moeder in quade trouwe zijn geweest, ten tijde de selve geteelt zijn. Phi. Soo kan dan een getroude vrou by een vreemt man slapen sonder overspel te doen, en kinderē teelen die wettigh en geen bastaerden en zijn. Soph. 'T is soo ghy seght, weerde Philogame, om redenen by my nu geseyt. Phi. Maer is sulcx niet eer uyt een andere oorsake; te weten, vermits nae rechten de vrucht den buyck volght? Soph. Niet alsoo, Philogame: en daer toe wil ick u een sake bekent maken, die u misschien noch vreemder sal denckē als dese daer wy nu van gesproken hebbē ; en boven dien sult ghy konnen sien, dat uwe redenen in dusdanige saken niet vast en gaen. Ick segge u dan, dat een gehoude vrou-persoon met haer eygen man kan overspel begaen, en even-wel wettige kinderē voort-brengen. Phi. 'T zijn wonder-redenen die ghy spreeckt, Sophronisçe: en ick en kan die niet grijpen, ofte ick moest eerst het geval hooren verhalen. Soph. Wel hoort: Aurora (seyt Hyginus) versocht op een tijt aen Cephalus (een man van Procris op den welcken sy verlieft was) haer in 't bedde een vrientschap te willen doen: Cephalus gaf haer tot antwoorde, dat sy ten bestē wilde nemen dat hy sulcx niet doen en konde, vermits tusschē hem en syne Procris onderlinge eedt en belofte was, van den anderen heus en trouwe te zijn. Aurora druckte hem nader, en seyde, dat dewijle syn vrouwe hem geen trouwe en was houdende, hy van gelijcken ongehouden was haer sulcx te doen: en om sulcx seker te weten, seyde sy, ick wil u de gedaente van een rijck koop-man geven, neemter onder dien schijn de preuve van. Cephalus doet haren raet, en onder het lock-aes van groote gheschencken, beweeght Procris, hem (die sy meende een juwelier te wesen) deelachtigh te maken van haer bedde. Wat dunckt u dede dese oock overspel? Phi. Voor my, ick meyne dat jae. Soph. Soo is dan hier een overspeelster sonder overspeelder, en in 't voorgaende geval wort een overspeelder sonder overspeelster gevonden. Maer of Procris uyt die by-een-komste met kinde hadde begort geweest, soudt ghy het oock voor wettigh houden? Phi. My dunckt dat daer aen niet te twijffelen en is. Soph. Soo hebt ghy dan qualick ghemeynt dat de vrucht niet als den buyck moet volgen, als ghy te voren seydet. Phi. Ick ben wat verstelt in dese vreemde gevallen, en gevoele my als vergramt tegens Cephalus, dat hy die preuve soo schrap aen-leyde, en soo de vrouwe verstrickte. Soph. Maer op dat soodanige gevallen niet alleen op de vrouwen en schijnen aen te komen, soo gedenckt my verstaen te hebben, een gelijck geval in onsen tijt geschiet te zijn: daer de man schult hadde, en de sake stont aldus: Brandine en Grumilde twee gespelen wesende, soo trout Brandine met Rodocles, en Grumilde met Dinanto, twee voorname jonckvrouwen met twee uyt-muntende jonge-lieden. Brandine is drie jaren ghetrout sonder bevrucht te werden, of eenigh voor-teecken daer van gewaer te werden. Rodocles laet de oogen syner ydelheyt vallen op Grumilde, wort vierighlick op haer ontsteken, opent syn brant aen de selve, en versoeckt behulp: sy openbaert sulcx aen Brandine, en die twee besluyten t'samen, dat Grumilde het versoeck sachtjens sal aen haer laten leunen, en by af-wesen van Dinanto aen Rodocles tijt en plaetse setten, om tot syn voor-nemen te gerakē ; met waerse houwinge nochtans dat hy sigh geheel stil moeste houden, vermits de broeder van Grumilde wert geseyt dicht by haer kamer te slapen. Om kort te zijn, het stuck wert invougen als geseyt is beleyt, maer Brandine vint haer in het bedde vā Grumilde, en Rodocles vint sigh by de selve, niet anders wetende of hy geniet syne langhgewenschte Grumilde; doch al in groote stilheyt, als het onder-spreck was. De uytkomste van de sake was, dat Brandine van dien nacht en negen maendē van een jongen sone moeder wert: invougen dat sy op eenē nacht onder de gedaente van Grumilde dadelick verkreegh, dat sy in drie geheele jaren in haer eygen gestalte, ende in het reyn houwelicx-bedde, niet hadde wetē uyt te wercken. Ey siet 's menschen verdorventheyt! wel, heeft Procris overspel begaen met haren eygen man Cephalus, soo en kan Rodocles van gelijcke sonde niet ontschuldig zijn, schoon hy Brandine syn echte wijf besliep: en om gelijcke redenen moet het kint, uyt die byeen-komste geboren, verstaen werden een wettigh kint te zijn, na mijn oordeel. Phi. Maer leet Grumilde daer nae geen aen-stoot meer van Rodocles? Soph. Men verhaelt my dat jae; maer dat sy hem daer naer in twijffel hiel soo lange tot hem de sone was geboren, en doen opende hem Grumilde watter omme was gegaen: en sedert wert geseyt, dat Rodocles hem stille hielt; alsoo hy uyt dat hem geschiet was ten vollen hadde geleert, dat al dit werck maer in sinne-vlagen en inbeeldinge bestaet: dewijle hy in de meyninge zijnde van Grumilde te beslapen, syn eygen vrouwe gebruyckte, en even dat vernuegen seyde gehadt te hebben als of hy Grumilde inder daet in syne wellusten hadt genoten: gevende grooten danck aen Grumilde, van hem, sonder haer schande, van syn uytsinnigheyt te hebben genesen. Phi. Maer even-wel hoe soudt ghy in rechten vast maken, dat Rodocles met Brandine by dit geval overspel soude hebben begaen? Soph. De rechts-geleerde stellen een vrage voor in deser manieren: Of yemant (seggē sy) een juweel nam, met opset 'tselve den eygenaer t'ontvreemden: en of de selve sulcx merckende aen dē nemer sulcx toeliet, met een stil voor-nemē van hem het selve te schencken; de Rechten seggen in sulcx dieverije begaen te wesen, maer ter dier oorsake geen vervolgh in rechten tegen hem gegeven te werden. Qui putat se invito domino rem attingere, cùm tamen dominus velit, furtum facit, inquit Pomponius; sed tamen furti non obligatur, secundum Vlpianum. Vid. AErod. lib. 7. Rer. Iudicat. cap. 5. Phi. Hoe! kander dan een dief of dieverije wesen daer niet gestolen en is? Soph. Even soo gelijcker overspel kan gedaen werden sonder datter een overspeelder gevonden wert.

Phi. Dese dingen zijn gansch selsaem, en boven diē my geheel rou voor-komende, dien-volgende en soude ick des niet vast derven besluyten, wat men hier in behoort te gevoelen. Maer segh my doch, of een man nu eenigen tijt langh wel gheweest, en genot van syn vrouwe gehadt hebbende soodanigen ongelegentheyt over quam, sulcx dat hy daer naer in drie jaren als ontmant ware, soude het oock dan de vrouwe vrystaen scheydinge te versoecken? Soph. Geensins, Philogame; want het houwelick eenmael door gemeenschap van bedde bevestight zijnde, schoon de man dan soodanige ofte diergelijcke ongelegentheden over quamen; jae schoon de man naderhant door sieckten, quetsure ofte andersints quame te verliesen al wat aen hem mannelick is, de vrouwe en soude in dien gevalle niet anders vermogen te doen, als een groote plaester van patientie te gebruycken, om alle hare jeughdigheden daer onder te dempen en doen versterven. Coras. annotat. 22. in arrest. Tholos. Phi. Wisselick dat is een hart vonnis tegens de vrouwen, weerde Sophronisçe: moet dat alsoo voor vast en onverbrekelick gehouden werden, na u gevoelen? Soph. In trouwen jae, Philogame: en daerom is het houwelick wel te recht een onverbrokē bant genaemt, soo wanneer het selve eens syn volle leden heeft gehadt; invougen dat schoon dan een man of vrouwe, die dit al mede over komen kan (Tam infeminas quàm in viros hoc virus grassari, testatur Ananias de natura daemonum lib. 4. sed tamen frequentius in viros. Mart. Delrio disquis. magic. lib. 3. c. 4. sect. 8.) door eenigh geval geen man of vrouwe en bleve, echter sy luyden onderlinge man en vrouwe moeten blijven. Het verliesen van armen, van beenen, van oogen, jae van verstant en oordeel en breeckt geen houwelick: en dien-volgende oock mede niet het verliesen van die leden, die eygentlick tot het houwelick zijn dienende. Phi. Noch een vrage uyt dese geschiedenisse, weerde Sophronisçe: dat is, wat behendigheden of grepen uytterlick geoorloft zijn, om aen een vrouwe te geraken, en een ander een voordeel af te sien. 8. Soph. Soo ghy dit verstaet, lieve Philogame, van yemant syn vrouwe t' ontsetten, soo sal ick dadelick antwoorden, dat in die gelegentheyt geen behendigheden, hoe wel die oock beleyt mochten wesen, eenighsins prijsselick en zijn: dewijle het geheele werck niet en deught, en daerom niet als een quade uyt-komste en kan hebben. Ende om een yder aen te wijsen dat soodanige maniere van doen gansch hatigh is by God almachtigh, ende dat de selve daerom doorgaens bysondere straffen onderworpen is, kan uyt veel geshiedenissen van oude ende nieuwe tijden als met de handen getast werden. Onder andere dunckt my, dat het exempel van Antonius eñ Cleopatra seer gedenck-weerdigh is in desen gevalle: en des te meer, vermits door het selve is blijckende, dat niet alleen een mans-persoon den anderen syn partuyr af-handigh kan maken, ende tot sigh verlocken: maer dat sulcx oock somwijlen by vrouwen wert in 't werck gestelt, ende dat 't een en 't ander bedrogh selden ongestraft blijft, selfs hier in onse werelt. Phi. Ick wenschte het verhael van Antonius ende Cleopatra van u te mogen hooren, als wesende een exempel van groote ende hoogh-verheven personen, ende dien volgende des te meer aenmerckens weerdigh. Soph. Dese geschiedenisse is al mede met die eygen penne af-gebeelt, door de welcke ons d'and're trou-gevallen zijn gheworden. Ick wil het selve u ter hant doen, om van u gelesen te werden: ick gae middelertijt een weynigh buyten, om een sake te verrichten daer aen my wat gelegen is. En dewijle ghy recht te voren gewagh hebt gemaeckt, offer eenige listigheden geoorlooft zijn om een houwelick te vorderen, en dat daer-op wel yet goets in bedenckē kan werden gebracht; soo sult ghy hier op een ry achter den anderē vinden ses onderscheyden gevallen die als hier toe schijnen aen-leydinghe te geven: te weren, voor eerst het verhael van de wonderbare ende niet-te-min malle lief-koserie tusschē Antonius en Cleopatra. Ten tweeden, de korte ende met verdriet eyndigende minne-sucht van Masanissa ende Sophonisba, beyde ontleent uyt de Romeynsche historien. Ten derden, een sonderlinge geschiedenisse in de nae-tijden voor-gevallen, met bedrogh begonnen ende met ellende besloten. En alsoo de voorsz. drie geschiedenissen niet sonder droefheyt te lesen ende te bedencken en zijn, soo volgender drie andere trou-gevallen van luchtiger stoffe, om de bitterheyt van de eerste wat te versachten: te weten, eene daer in nae-gebotst wert den aert van de Griecsche hardersgedichten, en wert hier dē naem van Rosenkrijgh gegeven. In het tweede is vervat een kort verhael van een listigen voorstel om een houwelick te wege te brengen, in onsen tijt voor-gevallen. In het derde wort gewagh gemaeckt van een slimmer treck ten selven eynde dienende, mede in onse eeuwen inder daet geschiet: alles te samen genoughsaem loopende op sonderlinge bedriegeriē rakende het stuck vā houwelicke; het eene meer, het andere min. Leest dese (soo het u bevalt) in mijn afwesen, en daer-op konnen wy by gelegē theyt wat nader rugge-spraeck houden, soo wy des lust mochten hebben. Phi. Ick ben des wel te vreden, weerde man, en gae van nu aen my stellen om dese ses trou-gevallen in u af-wesen in te nemen, om daer uyt stoffe te rapē van nieuwe onderhandelinge. Soph. Doet soo, Philogame, en vaert wel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Trouringh · Jacob Cats · Poetry Cove