Amethyst.
IS yemant aen het lijff verciert met amethysten, Door den Amethyst wort maticheyt en soberheyt afgebeelt, ende beduyt. Augustinus opten 86. Psalm. Marsil. Ficin de la Recherche de la vie Celeste. Het leert een jonghe vrou haer dinghen niet te quisten; Om dat zijn aerdich bleyck, dat naer het roode gaet, Vertoont ghelijck een beelt van rechte middel-maet.
Dan yemant sal misschien uyt dit beginsel meenen, Als off ick bond de deucht aen dese rijcke steenen, En dat ick groote kost of nut, of noodich acht, Op dat een jonghe maecht ter eere sy ghebracht. Neen, jonge luyden, neen: de deucht is niet te planten Noch in het flicker-spel van groote diamanten, Noch in het edel licht van perel of rubijn, De deucht heeft meerder glans daer geen juweelen zijn; De deucht haet alle pracht. men gaf in oude tijden Maer dingen sonder steen, en ront aen alle zijden,De annulo sponsa dando & illius inventione vide Polyd. Virg. lib. 2. cap. 21. de Invent. rer. Plin. cum Homerus nullam annulorum mentionem faciat, putat tum annulos in vsu non fuisse; At cum Iudas annulo vsus sit pignoris gratiâ in Thamar cap. 38. gen. quod trecentum & quinquaginta annos ante excidium Trojanum contigit, cum hallucinari patet. En even dit gheschenck nae zijnen aert geduyt Is nut tot goede leer, en dienstich voor de bruyt. Een ring van enckel gout, slecht, effen, ongescheyden, Niet prachtich, niet verdeelt met steenen tusschen beyden,
Oorspronck ende recht gebruyck vande ringen. Roupt als tot onse bruyt, bewaert het weerde bontIn manu sinistrâ gestari putat Macrob. ne lapides preciosi frangantur, cùm haec ociosior sit. Geduerich even recht, geduerich even ront, Geduerich sonder end. wie heefter niet gelesen Dat jae een rond beworp heeft eertijts aengewesen Yet, dat geduerich blijft? en siet de ronden draet Wort heden noch gebruyckt ontrent den echten staet. Ick meyn', op desen gront. laet op de stoffe mercken, Die sal oock onse maecht in reyne seden stercken,Circulus debet esse, sine gemmâ, totus rotundus, neque finem neque principium habens, index is mutui, synceri & perfecti amoris, & fidei conjugalis non obscurum argumentum c. nostrates c. foeminae 30. quast. 5. Guill. Durand. lib. 1. de Officio divino. tit. de sacram. & lib. 4. tit. de annulo Alex. ab Alex. Genial. dierum lib. 2. cap. 19. Costanus de spons. ideo apeírona dixerunt quidam quod gemmam non habeat vt Aristot. & Pollux interpretantur, eodem sensu Homerus terrã apeírona nuncupavit. vide theatrum Hum. vitae lib 29. Dewijl die nimmermeer door roest en wort besmet; Het gout, al wortet out, blijft echter even net; Blijft echter even reyn; en zijn ghesmijdich buygen Kan even onse vrouw ten vollen overtuyghen Dat sy van haeren vrient het weerde pant ontfing, Midts datse buygen sou gelijck als desen ring. Daer was geen ander gout aen haere gantsche leden, Als slechs het ronde perck, haer dienstich inde seden, Maer tgunt was voor de tucht en voor het huys bedacht Is, laes! in onse tijt verandert inde pracht.t'Is aen te mercken dat hier voormaels de ringhen aende vrouwen werden ghegeven niet om haer op te proncken, maer om datse daer mede verseghelen souden tgene sy in het huys wilden bewaren ende toegesloten houden. Annulus vxori dabatur inquit Clemens Alexand. in paedag. lib. 3. cap. 11. non ornatus gratiâ, sed vt obsignaret quae domi erant. Aurum, inquit Tertull. de cultu foem. 1. nulla membra norant prater vnicum digitum quem sponsus oppignorasiet pronubo annulo. Noch was een ander eeuw in dese saecken wijser, Die schonck de bruyt een ring alleen van enckel yser, Dat was ghelijck geseyt dat haer gesette trou In liefde met verdrach, geduerich wesen sou,Tempore Plinij ferreus annulus sine gemmâ rei simplicitatem judicabat, materia ad constantiam spectabat, forma ad rei perpetuitatem. Cypr. tract. de Spons. c. 9. Plin. lib. 33. cap. 1. Ten wort dan niet vereyst, om wel te mogen leven, Voor eenich dier juweel zijn penninck uyt te geven; Al wat het quistich volck in dese saecke doet, Is weelde, sotte pracht, of enckel overvloet.
Trouwe sonder trouring of bestaen kan? De bruyloft kan bestaen oock sonder moye dingen, De trouwe, sonder gout; de vrouwe, sonder ringen: De perels om den arm en al het hals-cieraet En zijn de stijlen niet daer op de kamer staet.Ringen ende dierghelijcke trou-panden en zijn niet vande eyghenschap des huwelijcx, het welck mitsdien oock sonder deselve wel can bestaen.
Annulus, & similia, non sunt de substantiâ matrimonij. Thuscus Card. conclus. 343. Non monilibus, sed moribus.
Het Fransche spreeckwoort seyt wel,
Anneau en main, honneur en vain. Twee herten eens gesint, door reyne min ghebonden, Sijn al de werelt deur de rechte bruylof-gronden, De waere liefde woont oock daermen niet en geeft, De waere liefde blijft, oock daermen niet en heeft. Hoort eenmael soete maecht, die niet en hebt te deelen, Hoort vryster, niet geciert met hant en hals-juweelen, Set maer in u gemoet wat hier het gout beduyt, En siet, oock sonder meer, ghy zijt een weerde bruyt. Het gout is maer een romp, en wat de lieden achten Bestaet in losse waen, en dingen sonder krachten, Daer is een innich merck, een nutter binne-keest, Ghy laet het plompe lijff; de kracht is inden geest. Dus wie ghy wesen meucht, en laet u niet gelusten Met al te grooten kost u saecken uyt te rusten: Het trect een vreemt gevolch, wanneer een moedich wijff Hangt als een gants besterf aen haer uytwendich lijff. ‘Wie druck, of tegenspoet, en alle quade vlagen ‘Wil met een sedich hert geduldich leeren dragen, ‘Die maecke dat de geest hem stelle dese wet; ‘Een tafel niet te breet, een keucken niet te vet, ‘Kateylen niet te veel, of keurlick boven maten, ‘Een kleet van goede stof, niet prachtich uytgelaten, ‘Geen huys, of huysgesin, als tot een nut ghebruyck, ‘Geen vleyer aen het ooch, geen slave voor den buyck, ‘Een mont die lecker is, een borst tot pracht genegen, ‘Sijn kanckers inde beurs, en eters van den segen;
Lesse voor nieughehouwde. ‘En soo ghy nu en dan in noot gedrongen zijt, ‘Soo valtet dubbel hart te leven nae den tijt; ‘Maer die hem kleyn gewent, al komt hy schoon te vallen,Si quis casus auferat facultates, levior erit calamitas parvo assuetis. L. Vives. ‘Vint troost in zijn gemoet; en laet de spotters rallen; ‘Geen ding en is hem nieu, als dat zijn groot beslach ‘Is minder als het was, en lichter als het plach. ‘Men acht een man beleeft die ketens ende ringen, ‘Die alle nieuwe stof plach in het huys te bringen, ‘Ten dienste vande pracht; men acht een man beleeft ‘Die sonder eynde komt, en als geduerich geeft; ‘Maer t'is een beter vrient die met gegronde reden,Vel ipse Martialis ornamenta muliebria nugas appellavit. Nolo peregrinis placeas tibi Gellia nugis, inquit, Idque benè annotavit. ac ponderavit Tiraquellus noster in leg. Connub. l. 3. num. 11.
Vide Calvin ad c. 3. Iesaia in fin. ‘En door een sedich hert, en met bequame seden, ‘Het wacke vrouwen breyn so konstich heeft bewracht, ‘Dat sy een rijcken steen, maer als een steen en acht. ‘Dat sy het joffer-tuych en al de moye leuren, ‘Weet met een hooch gemoet voor dattet is te keuren, ‘Dat sy het gantsche kraem, en al het poppe-goet, ‘Kan stellen uytten sin en treden mette voet. Ist niet een wonder stuck? die niet en kan verdragen, De teerste vanden hoop, wil sonder schricken wagen Dat yemant mette priem, of ick en weet niet wat, Haer drille door het oir, en maeck een open gat, Ist niet een selsaem ding? men quelt zijn eygen handen, Men overlast den arm met ongewoone banden; En, die van alle dwang was van te voren vry, Begeeft haer, sonder noot, in staege slaverny. Ist niet een vreemde daet? men laet benaude prangen Ontrent het swacke lijff en teere leden hangen, Men acht geen ongemack, men draecht ghewillich pijn, Wanneer het maer en dient om moy gekleet te zijn.
Waere vrouwe-cieraet. Ey wacht u, jonghe vrou, de leden in te binden, En met een nauwe praem te woelen en te winden, Het ruym voor uwe vrucht van Gode toe bereyt En moet door enghe dracht niet worden ingeleyt. Een woort noch totte pracht. gewis de rijcke steenen En zijn u ciersel niet, ghelijck de lieden meenen, Waer toe in dit beslach soo grooten overdaet? Blijft hier, en over al, blijft inde middel-maet. Wat laet u sedich hert de groote vlagghe wayen? Waerom een pleckich kleet, gelijck de papegayen? Waertoe is u het lijf behangen om end' om Gelijck een haechsche pop, of als de pinxster-blom? Ghy kont u, jonge vrou, ghy kont u teere dieren Ghy kont op beter gront u reyne leden çieren Als door verwaende pracht. de luyster vande deucht Die is de rechte kroon van uwe frisse jeucht.Welcker vercieringhe sy, niet die uyterlicke, met hayr vlechtinge, met gout omhangen of kleederen aen doen, maer de verborghen mensche des herten die ghelegen is inde onverdervelickheyt eens sachtmoedighen en stillen geests die kostelick is voor God. 1. Petr. 3.3.
Benè Guazzo de superfluis ornamentis Offesa a Dio, Speranza a gli amanti, Ruina a gli mariti. Ita ornanda muliér vt placeat viro, non vt suspecta fiat. Eras.
Stude bonitate placere, non veste. Bernard.
Pontan. De amor conjug. lib. 1. de lib. educand.
Plura licet nostras commendent dona puellas, Matronae decus est vna pudicitia.
Gregor. Nazianz. Mulierum ornamentum est morum probitate & elegantiâ florere; labijs, genis, oculis, vinculu inijcere, pudicis tantùm mulieribus oblectari &c.
Non tantùm nitor vestimentorum, nec excellentia formae nec auri splendor ad laudem mulieris valet, quantum modestia ac studium honestè decoréque vivendi. Arist. in OEconom. ecce consentiunt in hoc Ethnici cum Christianis, poëta cum Philesophis. Laet voor een hellen steen uw goede gaven schijnen Voor perels reyne tucht, en schaemte voor rubijnen Dat wit, dat edel root verciert u boven al; Van daer is dat de siel voor eeuwich blincken sal.
Cookies on Poetry Cove