Skip to content
1625

Houwelick

Jacob Cats

Bruyts lynvvaet.

De bruyt gaet order dies met alle vlijt bedencken, Wat in het tegendeel hier noodich is te schencken;

Bruyts lywaet. En watse, nae den eysch, sal geven haren vrient Dat hem en haer betaemt, en totte saecken dient. Sy meynt geen beter gaef hem toe te konnen passen, Als linnen wel gereet en schoon voor al ghewassen; Dat schijnt, als offet spraeck, dat sy een reyn ghemoet Hout voor haer weerste schat, en voor haer beste goet;Color albus, primus est omnium colorum & simplicitatem indicat, & ideò Deis (vt antiqui judicabant) gratissimus. hinc qui sacrificabant albis induti erant; Vnde Persius; quamvis albata rogarit Dinet. Hierog. lib. 2. cap. Des Lijs. Dat sy voor alle tijt heeft eenmael uyt-ghelesen Een onbeveysden aert, een recht eenvoudich wesen, Dan noch, dat sy het vlas en haeren eygen draet Stelt inde vrouwen-plicht een noodich huys-cieraet.

Wel aen ghy zijt de bruyt, de woorden zijn de banden Van datter is gheschiet, de ringen zijn de panden Van onverbroken trou. Dus, als ghy die besiet, Soo spreeckt in u gemoet; 'k en ben mijn eygen niet. Nu vrijers, scheyter af: hier is niet meer te vangen, Neemt elders, gragen hoop, neemt elders uwe gangen: Hier dient niet meer gevraecht, niet meer te zijn gesocht, Knap handen vande banck; dit vlees dat is verkocht.Neque matrimonium qualecunque, neque spem matrimonij violare permittitur. l. si vxor §. divus ff. ad leg. Iul. Hier raed' ick onse bruyt haer nu te willen mijden, Van naer het woeste velt, of inden duyn, te rijden, Van elders, daer het valt, te komen op de baen, Van alderley gewoel, van uyt ter feeste gaen. De bruyloft is een mart, daer yder zijne waren Komt toonen voor het volck, komt veylich openbaren, Het beste vande kraem; daer licht een nieuwe bruyt Een ander bruyloft maeckt, en dese feeste sluyt. Ghy hebt u reyne trou aen uwen vrient gegeven, Leyt dan, tot zijnder eer, een afgesondert leven;

Bruyts gedachten. Onthout u van het volck, en hout de sinnen stil; Ghy hebt van nu voortaen geen macht op uwen wil. ‘Siet! als een vrije maecht haer vint in alle feesten, ‘Soo staet het vrijen vry voor alle vrye geesten, ‘Maer als de vrye jeucht heeft eenmael uyt-gevrijt, ‘Soo is voortaen de maecht haer eerste vryheyt quijt. Ghy, die niet veyl en hebt, en niet en weet te koopen, Waerom doch in het kraem, of aende mert geloopen? Waerom soo wijt gedwaelt? het gapen heeft gevaer, Dus blijft in u bevang, en neemt u saecken waer. Siet! als een geestich quant wil steden ofte landen, Wil eenich schoon gebou, wil klippen aende stranden, Wil schepen onder seyl op Thetis diepen kolck, Vertoonen door de verw, en toonen aen het volck, Hy treet besyden aff, en met de gansche krachten Vervat hy al het werck voor eerst in zijn ghedachten, Schickt hier een hoogen berch, en daer een laegher dal, En maeckt een innich beelt van dat hy maecken sal. Soo dient de bruyt te doen. sy dient haer af te scheyden Van uyterlick ghewoel, sy dient haer aen te leyden Tot innich overleg, om soo te moghen sien En watter dient ghedaen, en watter sal geschien. Sy moet het gansche beelt van huys, en echte saecken Te voren overslaen, jae mette sinnen maecken Een kamer inde lucht, een wonderlick ghebou, En leggen inden geest do gronden vande trou. T'is echter ongerijmt, dat hen de lieden binden In dit geheel beslach, haer niet te laten vinden Daer Godes heylich volck den naem des Heeren prijst, En met zijn heylsaem woort de swacke siele spijst;

Voorighe Vrijers. Een maecht, nu toe bereyt om totten man te treden, Behoeft geen kleyn behulp om veelderhande reden; En hoe doch wort de mensch van swack geweldich sterck, Als, door een reyn gebet, en in des Heeren kerck? Hoewel men uwen naem hoort klaer en open lesen, Dat kan u, teere maecht, geen smaet of hinder wesen; De schrick in dit geval is enckel onverstant, Naedien het gansche werck is buyten alle schant. Wel laet dan, wie het wil, laet onbedachte dwasen Haer quellen, sonder noot, in dese vyse-vasen; Ghy helt naer uwen Godt in dit gewichtich stuck, Wel doen, hoe dat het gaet, en baert geen ongeluck. Gebeurtet onder dies dat yemant uwe sinnen Te vooren heeft gepoocht met vrijen in te winnen, Set desen uyt het hert, soo haest u rechterhandt Nu draecht van uwen vrient een naerder onderpandt. Wacht u nae desen tijt van out ghevry te spreken, Of tot een hoogen lof van vrijers uyt te breken; ‘Een die te grooten feest van oude liefde maeckt, W‘Wijst met den vinger aen dat sy de nieuwe laeckt. Daer was een schoone kerck, niet verre buyten Roomen,Venus Verti-cordia. Templum Veneris Verticordia ex consilio Sybillae extra vrbem aedificatum erat, in eum finem vt faminarum corda; quae nuptui traderentur, ab externâ libidine averteret. Dinet. lib. 5. Hierogl. vide Ovid. in Fast. Belommert mette scheem van groene myrte-boomen, Hier stont een Venus in, door wie, gelijck het scheen, De geest wert omgekeert, en alle lust verdween. Dies als een rijpe maecht nu af begon te keuren De grillen vande jeucht, en alle kintsche leuren, Soo quamse tot het beelt, en bracht haer beste pop, En hingse voor het volck, en voor de goden op: Of als een jonge vrou haer sinnen wilde geven, Om in den echten bant haer dagen af te leven,

Soo gingse nae de kerck, en bad in alle vlijt, Dat sy een reyne trou mocht worden ingewijt. T'is waer, dat yder een ten hoochsten is verboden Geen eer te moghen doen aen steen' of houte goden, Maer des al niettemin soo schuylt hier effter wat, Dat voor een leersaem hert is dienstich opghevat. Gewis hy, die de kerck hier voormael dede gronden, Heeft in zijn eygen hert, en uytte daet bevonden, Dat jae een ander geest moest komen inde vrou, Indiense nae den eysch wil komen inde trou. Vipera ob venerationem matrimonij virus evomit. Basil. Hexem. hom. 7. Siet! als een adder-slang door teel-sucht aengedreven Wil mette zee-lamprey haer om te paren geven, Soo spoetse nae de strant, en poocht met alle kracht Te ruymen haeren buyck van alle vuyle pracht, Van glibber-gladde slijm, van ongesonde dampen, Van schadelick vergif, van alle boose rampen, En, als het snege dier sich wel ghesuyvert vint, Dan isset dattet eerst zijn echte lust begint. Indiender yemant is, t'sy mannen ofte vrouwen, Genegen inde tucht, en soo het dient, te trouwen, Die doe ghelijck de slang, en schuyme zijn gemoet Van lust tot oude dracht, van alle dertel bloet. Indien een jonge vrou behout in haere sinnen Een, die haer domme jeucht eens scheen te willen minnen, Soo brengtse totten man niet datse brengen moet, Om datse vreemde sucht in haeren boesem voet. Is u dan eenich beelt geschildert naer het leven Door yemant vande jeucht, tot zijnder eer gegeven, Maeckt dat in haesten quijt. ghy hebt een eygen deel, Een beter schildery, een nutter huys-juweel,

Schilderyen van vrysters en jonge vrouwen. Ghy hebt een eyghen perck, daer uwe reyne lusten In stille moeten staen, in moeten blijven rusten, En vinden haer vermaeck; ghy hebt een eygen perck, Een eygen herte-lust, een eygen ooch-gemerck; Daer eyndicht u bevang, daer zijn de leste palen, Daer over uwe jeucht geen recht en heeft te dwalen, Geen reden heeft te gaen. dus blijft in uwen ban, ‘Een eerbaer vrouwen hert en vat maer eenen man. ‘Te plegen echte min, en byden man te slapen, ‘En echter mette lust nae vreemde lust te gapen, ‘Off door de lust te gaen tot eenich jong-gesel, ‘Heeft, ick en weet niet wat, van innich overspel.

Te tenet tenet, absentes alios suspirat amores. Cum propriâ petulans conjux vxore movetur, Hanc vlnis, tacitá Phyllida mente tenet. Hoc genitum coitu. Consulti juris & aequi, Legitimè natum dicitis, anne nothum?

Ghy daerom, jonge vrou, wilt, niet alleen de leden,Ne haec sit querela mariti:

Hanc ego mî vxorem duxi, tulit alter amorem:

Sic vos non vobis mellificatis àpec. Ioh. Ouven. Epigr. 19. lib. 1.

Val. Max. lib. 6. cap. 3.

Lex, inquiebat Sulpitius Gallus ad vxorem, tantùm meos tibi prafinivit oculos, quibus formam tuam approbes, & placere desideres; his docoris instrumenta compara, his esto speciosa, istorum te certiori crede notitiae, vlterior tui conspectus, super-vacuâ irritatione accersitus, in suspicione & crimine hareat necesse est. Maer oock het innich hert aen uwen man besteden; Want soo ghy geest of gunst voor yemant open hout, Soo heeft u meeste vrient u minste deel getrout. Vermijt des niettemin u af te laten setten, Om door uw schoone veruw een vreemde lust te wetten; Ten staet geen echte vrou, geen jonge dochter vry, In vreemder hant te zijn, oock niet in schildery.

Een praetje voor de bruyt. Ick heb wel eer gelesen Stefano Guazzo Convers. civil. l. 3. Yet dat tot u bericht hier dient geseyt te wesen; Een man, die vande straet naer huys vertrecken sou, Vernam een vreemden snaeck ontrent zijn echte vrou.

Daer stont een Schilder by met handen vol pinceelen, En midden op de vloer lach keuse van paneelen; De man, in dit beslach, staet lange tijt en peyst, Wat hier de vijse grieck, of wat de schilder eyst. Hier ging de jonge wulp zijn tonge dus ontbinden, Ick bidd' u, goede vrient, niet vreemt te willen vinden Dat hier, beneven my, een geestich schilder staet, Het stuck by ons bestaen en is geen boose daet.

Weet, dat ick over lang u vrouwe plach te minnen, Maer hebbe niettemin haer geensins connen winnen; En, mits het weerde pant niet meer en is voor my, Soo doe ick maer een eysch van hare schildery: Alleen om dese gunst ben ick hier ingecomen, En hebbe desen vrient tot mijnen dienst genomen, Die sal de schilder zijn van die ick heb gevrijt, Indien ghy niet te wijs of niet te vijs en zijt. Mijns oordeels, dit versoeck behoort te zijn geleden, Ten sy in u de nijt is meerder als de reden; Noyt heeftet eenich mensch gedient tot ongemack, Dat yemant vier of licht aen zijnen heert ontstack. 'k En weet (begon de man) van afgunst of benijden, Ick weet dat u bedrijf my niet en staet te lijden; Sy, die ghy voor u siet, is mijn bescheyden deel, Niet voor een dertel ooch, of eenich vreemt pinceel.Het Italiaens van Guazzo is geestich.

Il marito, nel punto ch'egli comminciaua a ritrarla, lo disturbó, cacciandolo fuori di casa, con dire; Cho a quel gentilhuomo sarebbe per auentura venuta voglia, dopò la copia, d'hauer anco l'originale. Gaet vry, gaet owes weechs, gaet elders henen rallen; Voor u of uws-gelijck en is hier niet te mallen: Ghy, die nu eyst het beelt van dit mijn echte wijff, Mocht, alsset u beviel, eens koomen om het lijff. Daer ging de lincker heen met gramschap aengesteken: Maer seg, had oock de man gelijck om soo te spreken? Voor my, ick segghe jae; en nae dat ick het vat, Soo past op dit bejach een harder woort als dat. En desen onverlet, en isset geensins wonder, Indien de goede man heeft even int bysonder Het onvoorsichtich wijff een eygen les gedaen, Om datse desen eysch scheen toe te willen staen. Men weet van over lang, hoe dese rancken strecken Of om de vuyle lust van yemant op te wecken,

Gunste vande Bruyt tot den Bruydegom hoe verre die gaen mach. Off, soo te vreesen staet, tot noch een slimmer end Aen menich eerbaer hert, noch heden onbekent. Soo mach dan onse bruyt de vreemde jonge lieden Niet meer te spraecke staen, noch voorder gunste bieden; Die vryheyt is gheweest. sy moet oock even dan Niet al te gunstich zijn haer ondertrouden man. Ontfangt een korte les, hier nut te zijn geweten, De bruyt in haeren tijt en moet geen vryster heten, En mach geen vrouwe zijn, wie dattet oock gebiet, ‘De bruyt, een teer gewas, is kruyt en raeckt my niet. Gelijck het schemer-licht, dat met bedeckte stralen Ontrent den dageraet komt opter aerden dalen, Geen nacht en is genaemt, geen dach en wort geseyt, Maer yet, dat by gevolch, ons tot den daege leyt, Soo staetet mette bruyt. sy moet geen vrouwe wesen, Tot dat haer gulde son is hooger op geresen; Sy moet geen stille nacht, geen drouve vryster zijn, Om datse korts verwacht een volle sonne-schijn. Off, als een frisse roos, die niet en is ontloken, Van boven evenwel een weynich uytghebroken, Toont aen den hovenier een aerdich purper-root, Monende sunt Virgines, vt ne provocent sponsos, aut nimis sint faciles; ne petontibus nimis tetricas ac praefactas sese praebeant; illud enim amorem vertit in odium. Eras.

Ego hîc valere existimo Martialis illud,

Qualem, Flacee, velim quaeris nolimue puellam? Nolo nimis facilem, difficilem nimis. Illud quod medium est at inter vtrum probatur, Nec volo quod cruciat, nec volo quod satiat. En hout des niettemin ghesloten haeren schoot; Soo dient, na mijn begrijp, soo dient de bruyt te leven: Beleeftheyt sonder meer, beloven sonder geven; Niet al te sachten oir, niet al te stueren kop; Geen openbare roos, geen toegesloten knop.

Wat macht de Bruydegom over de Bruyt heeft. Hoewel dan onse maecht heeft eenich pant ontfangen, En datter ringen selfs haer om de vingers hanghen, Noch is dan evenwel haer maechdelicke blom, Niet inde volle macht van haeren bruydegom.De Bruydegom en heeft gheen macht over de Bruyt. Bodin. de la Repub. lib. 1. cap. 3. nous n'entendons que la fiancée soit soubjecte au fiancé. Idque jure civili decisum est. l. 4. ff. de cond. & demonst l. ca quae ff. ad municipalem. & ne peut le fiancé mettre la main sus elle, ce qui est permis au mari de droict civil & Canon. Bald. & Cyn. in l. raptores C. de Episc. Cyn. in l. 1. quaest. 2. C. de raptu virg. c. duo 33. qu. 2. c. sicut. 7. qu. 1. Leert hier, besette maecht, op vaste gronden weten, Wie vrouw, en wie de bruyt met reden wort geheten; Op datje by gevolch hier uyt besluyten meucht, Wie nu, wie naederhant heeft macht van uwe jeucht. t'Is vry een wijt verschil in echten staet te wesen, Off voor de bruyt alleen te worden opgelesen; Het wijff doet over al, nae dat de man gebiet; Want die eens vrouwe wort en is haer eygen niet. t'Is anders mette Bruyt; die heeft, op vaste reden, Alsnoch de volle macht van haere teere leden, Iae moet hier wederstaen den wil van haeren vrient, Indien hy komen wil, daer niet gekomen dient. Om dan, tot meerder licht, een vasten peyl te setten Hoe lang een jonge maecht is buyten echte wetten, Soo neemt van onse pen een drouvich ongeval, Dat aende jonge bruyt haer palen wijsen sal. Een rustich jong gesel gheboren inde landen,Siet dese gheschiedenise verhaelt by den Raetsheer Nieustat tract. de pact. nupt. observat. rer. Iud. 15.16.17. Vbi triaferè similia exempla recenset. Daer yeder huysgesin belent in eyge stranden, Kreech, naer een lang ghevry, de dochter vande Schout, En voer nae seker dorp, om daer te zijn getrout. Soo haest de snelle schuyt is aen het landt gedreven, Gaet yder nae de kerck, en hoort den segen geven, Daer staet de jongeling, en biet zijn rechterhant, En krijcht in tegendeel een gunstich wederpant. De Gods-dienst is gedaen, men gaet de bruyt geleyden Om weder uyt de kerck, en van het landt te scheyden,

Drouve gheschiedenisse. Daer comt het gansche dorp gedrongen nae de schuyt, Tot sich de nieuwe man ging setten by de bruyt.

Doen ging het seyltjen op. De jonge luyden spelen, Een deel verheucht de bruyt, en singt met helle kelen, Een deel sit in gepeys, en rekent inden geest, Hoe menich soet gevry wil rijsen uytte feest. Soo doende raeckt de schuyt tot midden inde baren, Daer is soo veel geseylt, gelijcker is te varen; Maer siet, de gansche lucht verandert onder dies, Daer rijst een snelle wint, die bijster vinnich blies, Die schufelt in het want, en doet het seyltje swellen Die roert het water om, soo dat de boorden hellen,

Drouve gheschiedenisse. Die perst geduerich aen. daer swapt het schuytjen om, Daer leyt de jonge bruyt met haeren bruydegom; Daer krielet over-hoop, daer gaetet op een kermen, Daer wil het jonge volck sich voor de doot beschermen, De vrijer met gewelt, de vryster met geschrey, Maer tis om niet ghewoelt, sy blijven alle bey. Men vont het lieve paer, nu vande doot bevochten,Ambo, inquit Neostadius, vlnis sese mutuis arctissimè complexi, mortui ex vndis retracti sunt, cum ijs parentes justa facerent, vno vtrum condiderunt tumulo. loc. sup. citat. Geschakelt metten arm, en over een ghevlochten, In plaetse van het bed, is haere doot ghemeen, Sy menghen inden stroom de sielen onder een. Eylaes! de maechde-palm, die by de jonge dieren Te samen is ghebracht, om haere bruyt te cieren, Dient tot een ander feest, en wert daer allegaer Met tranen eerst besproeyt, ghevlochten om de baer. Het dacht de vrienden goet, dat bey de doode lijven In eenen aerden-hoop begraven souden blijven; En, waeret mettet lijck nae mijnen sin ghegaen, Daer sou een kleyn ghedicht ontrent den grave staen. Hier leyt en man en vvijff begraven aender heyden, Op eenen dach ghepaert, op eenen dach ghescheyden, Het vvater heeft de vreucht van haere feest belet, Het aertrijck vvas beleeft, en vverd haer bruylofs-bed. Het graf is naeuw gevult, men raester om te deelen, De rouw en al de feest verandert in krakeelen; De vader vande bruyt, minst soo het scheen ghegoet, Seyt, dat hy voor een helft in alles komen moet. De vrienden vanden man, hier teghen aen ghedreven, Sijn anders van beraet, en meynen niet te geven; Een yder drijft het zijn, als met geheele kracht, Soo dat het nieu gheschil wort aen het hof ghebracht.

Daer gaetet harder aen, het Hof belast te schrijven Wat yder dienstich acht om zijn gheding te stijven. Het maechschap vande bruyt seyt met een vollen mont, Dat willen, sonder meer, volmaeckt het echte bont.Solus consensus sufficit absque alijs omnibus, & alia omnia sine consensu sunt nihil. Alberic. Gentil. lib. 2. de Nupt. cap. 6. Seyt, dat van ouden tijt nae recht van alle landen, Twee herten eens gesint zijn vast in echte banden, Seyt, dat een jonge bruyt, oock midden inde trou, Kan zijn, in volle daet, een maecht, en echte vrou.Non defloratio virginitatis, sed pactio conjugalis, facit conjugium. Ambros. Seyt, dat dit groote werck niet toe en is te schrijven Aen, ick en weet niet wat, het mengen vande lijven; Maer dat de weerde trou haer gansche volheyt siet, Wanneer een reyne siel haer wederpaer geniet.Haec societas de corporibus, contrahitur contrahentium consensu, non corporibus. Alber. Gentil. ibid. De vader vande man is hier geweldich tegen, En meynt dat zijn ghespreck vry meer behoort te wegen, Roupt dat een jonge bruyt den naem geduerich hout Tot dat het sachte dons haer naerder heeft getrout.Bodin. lib. 1. de la Republ. cap. 3.

La pluspart de Canonistes & Theologiens, qui s'en font croire en ceste matiere, ont tenu qu'il n'y a point de mariage entre l'homme & la femme, s'il n'est consommé de faict. ce que nos coustumes ont disertement articulé, quand est question des profits de mariage, & de la communauté. Vide multa pro hac opinione in summa silvestrinâ verb. matrimonium nu. 6. c. debitum de bigam. Lombar. in 4. Sententia. distinct. 30. & 37. quast. 2. Barbat. cons. 2. col. 7. gloss. in c. ex publico. extr. de convers. conjug. Roupt, dat dit seker gaet oock opten dach van huyden, Om dat voor eerst de bruyt sit by de jonge luyden, Roupt, datse nimmermeer, als opten tweeden dach, Haer by het echte volck aen tafel voughen mach. Roupt, dat de jonge maecht is datse was ghebleven Iae niet van haere gunst als woorden heeft ghegeven; En sluyt, dat haer geslacht maer woorden hebben moet, Geen vrientschap in het bed, geen maechschap in het goet. Nae dat om dit geschil is menichmael ghekeven, Soo wert nae langhen tijt het vonnis uytgegeven; Het Hof, nae rijp beraet, draecht hierin over een, Dat t'een en t'ander goer is onder hen ghemeen.

Huwelick wanneer volcomen. De reden dienter by. Des Heeren goeden segen Verkondicht inde kerck, en opentlick ghekregen, Versegelt echte trou; soo datmen even dan Bekoomt een vollen naem van wijff en echte man. Men siet dat Adam selfs, doen Eva was geschapen,Genes. 2.23. Haer voor zijn vrouwe kent, oock eerse was beslapen, Hy noemt haer voor den Heer zijn vleys en eygen been, Oock eer het echte bed was onder hen ghemeen. Hier uyt dan, weerde maecht, kan yder een bemercken Dat eerstmael als de bruyt comt weder uytter kercken, Getrout voor al het volck, is op een vasten gront En uyt haer eygen macht en in het trou-verbont.Senatus hic bonorum communionem decrevit, cum enim per conjuctionem illam conjugalem in facie Ecclesiae ritè peractam, individua ac indissolubilis vitae societas contracta sit, vt non jam amplius sponsus & sponsa, sed re verâ maritus & vxor effecti essent, nec ad vinculum matrimonij stabiliendum quidquam per concubitum seu copulam carnalem adijci possit, meritò etiam societas bonorum jam ab eo ipso temporo incheata ac inducta censeri debet. quod vt sacris litteris consonum, ita & expresso jure civili statutum est. l. cum fuerit. 15. ff. de conditio. & demonst. l. nupt. de R.I. l. sancimus 24. verb. sed ex quo vota nuptiarum re ipsa processerint C. de nupt. Neost. rer. Iud. obser. 15. & 16. vbi tres conformes casus ex intervallo ita decisos memorat. Off schoon dan yemant poocht u in het hooft te steken, Voor God u man te zijn (gelijck de luyden spreken) Eer dat ghy zijt getrout, om onder desen schijn Te schuyven, eer het dient, u teere bed-gordijn; Ghy staet op u verset, en toont, met goede reden, Dat by een ware maecht dit niet en dient geleden; Segt dat de reyne min noyt worstelt tegen eer, En, schoon hy't anders drijft, gelooftet nimmermeer. Hier dient ghy bruydegom voor al te zijn gesproken, Om hier voor uwen tijt, geen vier te willen stoken; Ghy hebt van heden af als pantschap aen de bruyt, Maer noch geen volle macht het pant te winnen uyt. Ghy, die dit acht te deun, gaet leest de Roomsche wetten En leert dat Keysers selfs op uwe saecken letten;

Want soo een dertel quant zijn eygen bruyt vercracht,Nonnullis sponsis tam impotens est ardor libidinis, vt corpusculo puellari vim inferant. Erasm. in Instit. Matr. Daer is geen twijffel aen, hy wort om hals gebracht.Bodin. de la Republ. lib. 1. cap. 3.

Si le fiance (dit il) avoit usé de main mise, & ravj sa fiancée, il doit estre punj capitalement en termes de droict. l. 1. C. de Rapt.

Alberic. Gentil. tractatu de nupt. ex Bernardo. Daer was een out ghebruyck in alle Iootsche landen, Wanneer een jonge maecht haer trouwe ging verpanden, Dat jae de lieve bruyt, oock vanden eersten aen, Wert aenden jong gesel ten vollen toeghestaen. Hy moest het weerde pant met alle vlijt bewaren, En, door besette tucht, ter rechter ure sparen, Ter eeren vande trou, hy moest het weerde pant Besitten sonder smaet, en houden buyten schant. Siet, Iacob gaet alleen met Rachel aender heyden, En drijft het jonge vee door alle groene weyden, Sy bruyt, hy bruydegom; en des al niettemin Hout alle tochten op, hout alle lusten in; En, naer een lang ghedult van seven gansche jaren, Soo vraecht hy om verlof om dan te mogen paren, Hy raeckt (ô reyn gemoet!) hy raeckt de maget niet, Tot hem de vader selfs zijn lieve Rachel biet. Siet! wat verschilt de tijt. ô die in onse daghen Bestont een jonge bruyt den vrijer op te draghen, Van dat de sonne rijst, tot aen den soeten slaep, Eylacs, wat soudet zijn? een wollef by het schaep. Ey waer is nu de sucht van reyne min ghevloden? Off woont het sedich hert alleenlick by de Ioden? En niet in ons gewest. ey, maticht uwen tocht, Wy zijn oock Godes erf, en dier genouch ghekocht. ‘Al die het reyne bont tot vuyle lusten drijven, ‘Die paren in het vlees, en niet als met de lijven; ‘Maer die in rechte tucht beginnen haere feest, ‘Die trouwen mette siel en wassen inden geest.Aux mariages qui se font par volupté il n'y a communauté que des corps, mais en ceux que la sagesse a conjoints, il y a communication de vertu & toute pureté. Philo. Iudaeus lib. de Abr. Patriarch.

Aenspraecke totte Bruydegoms. Al is de bruyt verlooft, noch dienje niet te mallen; Al is de schult gemaeckt u tijt is niet vervallen; Dus hout u inden toom, en spaert u weerde lief Een onvertroude bruyt een onverschenen brief. De tijt snelt haeren loop. Men gaeter overwegen Hoe dattet mette feest en gasten is ghelegen, En hoemen nooden moet, en wie, en wat ghetal, En hoemen metter eer de bruylof houden sal. De saecke dient bedacht. vraecht yemant mijn gevoelen? Ick ben in dit gheval een vyant van het woelen, En van te grooten hoop; een vyant vanden dranck, Een vyant van geroup, en alle vuyl gesang. Indien het wesen mocht, ons soude meest behagen Een maeltijt sonder pracht, en voor de naeste magen,Quorsum attinent publica tumultuosaque convivia? Sua vius est inter parentes, ac pauculos ex proximâ cognatione modestè sobriéque agitare nuptiale convivium. Erasm. de Christ. Matr. De beste bruyloft-feest die yemant houden mach Bestaet in sedich volck; en in een kleyn beslach.Nationes quaedam nuptijs modum prascribunt, & certum numerum convivarum. nec malè. Pisis statutum est quod non po[s]unt ad nuptias convocari nisi duodecim Dominae, vt refert Bart. in l. inficiando §. infans in fin. & 16. etiam Angel. ff de furt. & Ioh. Ananias in c. Vlt. col. 10. vers. ex praedictis refert extr. di collu. detec. Francis. Aret. in l. Patris & filij ff. de Vulg. & Pupill. Soo doende, wert het volck met drincken niet gequollen, Daer hoortmen geen gewach van yemant op te vollen; Daer hoortmen geen geraes, geen roupen, geen gedans,Concilium Laodicenum can. 13. dissolutas choreas & impudicas saltationes disertè improbat. Noch vande geile jeucht, noch vande droncke mans. Daer kan een teere maecht den echten staet beginnen In stilte, met bescheyt, en ongestoorde sinnen; Daer is het jonge paer en al het huys verlost Van moeyte, van geraes, en van de groote kost. Ist niet een selsaem ding? het trouwen is gevonden Tot nadeel vande lust, en alle snoode sonden,

Veel of weynich Bruyloff-gasten. En des al niettemin waer eenich mensche trout, Daer schijntet dat het vlees een nieuwen tempel bout.Chrysostomus graviter conqueritur, quod ipso statim nuptiarum die puelle animus tot vndi flagitiorum machinis impetatur. quod & Vives annotavit. lib. de Christian. foem. 1. cap. 1. Daer is een vreemt gebreck gheslopen inde steden, En blijft van ouden tijt tot aen den dach van heden, Te weten, dat het volck in haere bruyloff-feest Schoeyt wijder als het dient, en boven haren leest. Wat koomter menich paer in duysent sware lasten, Alleenlick om de vreucht van vreemde bruyloff-gasten? Wat isser menich mensch die uyt een hoogen moet Verteert zijn innich merch tot aen het herten-bloet? Bedencket die het raeckt, in overdaet te trouwen Is al een quade voet om huys te blijven houwen; 'tIs licht te veel ghequist ten dienste vande jeucht, 'tIs licht te veel gespilt in dese korte vreucht. Ghy siet, het groot beslach is in der haest verdwenen, En wat de feeste maeckt gaet metten speelman henen, De vrienden zijn verstroyt, ach! ick en weet niet hoe, Het gelt is uytte beurs, en dickmael ondanck toe.Het Frans spreec-woort seyt wel, Il n'y a si belle nopce, ou il n'est vn mal disné.

Nuptiae sumptuosa damnum sine honore conferunt. Bernard. in Epist de Cur. & reg. rei famil. Leert dan vercregen goet tot beter eynde sparen, Laet pracht, laet overmoet, laet groote kosten varen; Koopt huysraet om het gelt; en set den regel vast Dat op een goede saeck een goet beginsel past: Doch soo ghy zijt verplicht aen veelderhande magen En dat u stijve beurs den last vermach te dragen, Soo wil ick uwe gunst niet binden aen getal, Maer stell' een yder vry hoe verr' hy nooden sal. Wie kan het echte volck, wie aende jonge lieden Benemen haer vermaeck, en harde tucht ghebieden? Het is van alle tijt, dat opten bruyloff-dach Een yder vrolick zijn, en vrienden nooden mach.In all nations the day of mariage was reputed the joyfullest day in al their life. therefore one saith that mariage signifies merrie-age, because a play-fellow is come to make our age merrie. Mr. Smith. in his praepar. to Mariag.

Leges Licinia & Iulia in nuptijs lautiores quàm in alijs convivijs sumptus permittebant. Gell. lib. 2. cap 24. ita Laban convocatis multis amicis ad convivium nuptias fecit Genes. cap. 29. & apud Senecam indignantis verba sunt, Nuptias clausâ domo fec[i]mus. lib. 7. cont. 6.

Waeron Bruyloff-feesten ingestelt. Maer gaet met goet beleyt, en laet de lieve gasten By niemant in het feest met drincken overlasten, Schout grillich handt-gespel, en dertel ongelaet Weest nuchter in ghebaer, en matich inden praet. Ick bidde heusche jeucht, verstaet de rechte gronden Waerom meest over al de menschen dienstich vonden Te maecken eenich feest, wanneerder vemant trout, En waerom datmen noch dit heden onderhout. 'tIs vry niet om den wijn, niet om de volle glasen, Niet om een los ghewoel, niet om het dolle rasen, 't Is om het naeste bloet te wijsen overhant Wat maechschap datter rijst uyt desen nieuwen bant:Non ob Lyaei festivitatem convocantur propinqui, affines, & amici; sed, cum matrimonij is finis & effectus sit, vt alter conjugum in alterius familiam adoptetur, & soboles inde procedens jura tam agnatis quám cognatis succedendi consequatur; Consequens est, vt omnia ex consensu totius familia, & praesentibus ac volentibus propinquis fiant. Annaeus Robert. rer. jud. lib. 1. cap. 2. vide Plutarch. lib. 4. Symb. quaest. 3. 't Is op dat yder wist, indien hy quam te sterven, Wie zijn verspaerde goet eens soude mogen erven; En wie, te zijner tijt, en naer een drouven val, Het huys, wanneer het wijckt, eens onderstutten sal. Doch hoe een eerlick man de vrienden moet onthalen, Staet op een ander tijt ons naerder af te malen; Ghy keert u, snelle pen, keert eenmael wederom En geeft doch eens de bruyt aen haren bruydegom. Maeckt plaetse, nieus-gier volck; de bruyt die gaet ter kercken,Aspice virginem illam quam Pater tradidit, euntem die celebri, comitante populo. Quintil. declam. 307. En laet, in volle trou, haer onder-trou verstercken, Kniel neder, jonckgesel, kniel neder teere maecht, Hier wort op eene tijt u gans gheluck ghewaecht. De Geesten, Godes heyr, die wonder reyne scharen, Sijn jae ontrent het werck, daer echte lieden paren.Vnde sufficiam ad faelicitatem matrimonij enarrandum, quod Ecclesia conciliat, & confirmat oblatio, obsignatum angeli renuntiant, pater ratum habuit? Tertul. lib. 2. ad vxorem. Publica benedictione, quasi Deo ipso per os Ministri sui loquente spectantibus Angelis & hominibus, copulantur; ut per hoc Deo consecretur iudividua consuetudinis initium. Ioachim a Beust tract. de matr. in praefat.

Bruyt waerom ghekroont. Gods dienaer spreeckt het woort; de segen wort geseyt, Een yeder siet en bid. Daer is de knoop gheleyt. Roep bruyloft, soete jeucht; de speel-genooten komen, En stroyen al het huys met nieu-gepluckte blomen Met vers-gelesen groen, met jeuchdich maechde-kruyt En vlechten even seer een kranse voor de bruyt. Noch isset niet ghenouch; men hangter groene kroone Daer haer het weerde pant sal aenden dis vertoonen, De solder, en de balck, de mueren en het bed Sijn met gestreckte palm aen alle kant beset. Een maecht kan over al een groene krans verwerven, En dan wanneerse trout, en alse comt te sterven. Wel aen, geswinde pen, ter eeren vande bruyt, Koom seg ons wat de dracht van kroonen hier beduyt. Het is van ouden tijt, dat tweederhande luyden Sijn kroonen toegestaen van loof en groene kruyden; Hunc antiquissimum coronae vsum fuisie tradit Polydor. de Invent. rer. lib. 2. cap 17. Een Priester, totten dienst van eenich god ghewijt, Ontfing een groene krans ontrent den offer-tijt. Een held, wiens edel sweert den vyant had' gheslagen, Kreech even dese macht een kroon te mogen dragen; Kreech oorlof mette koets te rennen door de stad, Geciert met eycken loof, of met een lauwer-blad. Hier uyt (gelijck het schijnt) is dese vont genomen, Dat oock de groene krans is totte bruyt ghecomen: En, alsmen met bescheyt de saecken ondertast, De kroone wort de bruyt te rechte toegepast. Voor eerst om dat de maecht, die haere jonge leden Gaet, uyt een reyn gemoet, aen haeren man besteden, Niet meer is, datse was; niet meer is aende jeucht, Maer offert aende trou, maer offert aende deucht

Een vers, een jeuchdich lijf, in geen bedroch gevonden, Gaef, suyver, onbesmet, fris, nuchter, ongheschonden, Dat niemant naderhant, dat niemant raken moet Als een, aen wie de maecht haer reynen offer doet. Siet hier, ghy die het raeckt, het wit van eerlick trouwen; Het is een vast besluyt, om God een huys te bouwen, Het is een vast besluyt, een seker ooch-gemerck, V vrucht te brengen op tot Godes offer-werck; Het is op datje mocht, door wettich t'samen paren, Een onbevleckten geest in reyne tucht bewaren, Het is op datje mocht in uwe domme jeucht Te beter, door behulp, u geven totte deucht; Het is de gulle sucht haer rechte wit te leeren, Het is de quade lust tot goeden eynde keeren, Het is, te zijner tijt, het ongetoomde vleys Te geven zijn behouf, maer nae den rechten eys.Conjugium bene vtitur libidinis malo. Augustin. lib. 3. contra Iulian. Het is een vast besluyt voor eeuwich of te sweren Al wat de jonckheyt leert, en uytte borst te weeren Al watter eenichsins een reynen geest bevleckt, Quin desiderium concesso limita claudit Conjugium, castosque aeternum obsignat amores; Vt sunt carne simul juncti sic menta cohaerent, Inter se pijs miscent incendia flammis. Gregor. Nazianz.

Al watter eenichsins tot snoode nucken streckt. Het is een vast besluyt de sinnen in te binden, En niet te laeten gaen met alderhande winden, Daer ons de werelt treckt; het is een vast besluyt De tucht te laeten in, de lust te jaegen uyt. Ten tweeden, nu de maecht van alderhande tochten Is dickmael aengeranst, is dickmael aenbevochten, En heeft des niettemin lust, krevel, vuylen brant, En alle slim ghewoel gehouden inden bant, Soo eyst de reden selfs, dat segen-rijcke kroonen Haer sijgen om het hooft, om haere deucht te loonen,

Out ghebruyck van kroonen. En datse van het volck wort over al begroet, Gelijckmen int ghemeen een overwinner doet. Bedenckt dan, jonge bruyt wat heden is begonnen; Ghy hebt in uwe jeucht de lusten overwonnen, Nu krijchje meerder hulp te staen in desen strijt; Dus blijft in ware trou de trouwe toegewijt. Dit wesen vordert meer, als metten man te spelen, Of yet, dat u ghelijckt, in lust te mogen telen; Want soo die weerde plicht alleen hier in bestont, Soo waer oock in het bos een wettich trou-verbont. Wel aen dan, jonge bruyt, koomt; met gesette seden, Koomt, met een suyver hert, in uwe kamer treden; Doet, uyt een reyne sucht, de lusten inden ban En wort nae dese kroon, de kroone vanden man.Vxor bona benedictio, auxilium, corona viri, quietis columna; Costan. nupt. num. 13. De feest gaet haeren gang. hier souck ick niet te weten Noch watter wort ghedient, noch wat de gasten eten, Noch of de schotels dicht en op haer reke staen, Noch wieder met de bruyt sal aende tafel gaen: Ick laete, die het wil, hier op de sinnen breken, Ick laete die het lust van diepe glasen spreken, Een ding is hier alleen te nemen in beraet, Waerom doch voor de bruyt een hoff op tafel staet. Segg' reden mijn vernuft. Daer zijn verscheyde saecken Die hier te wegen zijn, en desen handel raecken, Hoort, wat ons best bevalt. het is een groote lof Dat vrouwen zijn gelijck een toegesloten hoff,Mijn suster lieve Bruyt ghy zijt een besloten Hof, een verseghelde Bornput. Hooch-liedt Salom. 4.12. Dat vrouwen zijn gelijck als boomgaerts voor de mannen, Daer snoupers, vuyl gespuys, zijn eeuwich uyt gebannen; En, om dit aende bruyt te prenten inden geest, Soo wort een hoff gestelt te midden inde feest.

Bruyts Hof. Wat hooger, snelle pen, laet u wat hooger rijsen, Ghy sult een beter gront hier over konnen wijsen, Het eerste trou-verbont is in het groene velt, Is in het schoon prieel van Eden ingestelt:Genes. 2.22. Daer is in ouden tijt het reyne bed gevonden, Daer is het eerste paer in echten staet gebonden Tot onderling behulp; daer heeft de groote God Gegeven aen het wijf het eerste trou-gebod; Daer is de man gelast op zijn beroup te passen, Soo dat de gansche trou is inden hof ghewassen, Is uyt den hof gevloeyt, en siet! des Heeren woort Gesproken inden hof, brengt staege vruchten voort. Als dan een jonge bruyt siet op de tafel setten Den hof, en zijn gevolch; sy dienter op te letten Sy moet gedachtich zijn wie eerst het trouwen vont, En watter noodich is ontrent het groote bont. Maer, wat een groot gewoel! wat salder noch gebeuren? Men siet de jonge bruyt van alle kanten sleuren En trecken van het volck en hier, en weder daer, Het schijnt als of de maecht een krijghs-gevangen waer. Ey! laet ons, mijn veruuft, een weynich overwegenNupta vel é sinn matris, vel, si ea non erat, à proximâ necessitudine, dicis causâ, rapiebatur; quod, vt ait Festus, ea res faeliciter Romulo cesserat in Sabinarum raptu. Theat. Histor. vol. 29. l. vnic. C. raptus sponsae Costan. tract. De Nupt. num. 13.

Catull.

Qui rapis teneram ad virum virginem &c. Van waer het vreemt geraes zijn oorspronck heeft gekregen, ‘Tis dienstich aengemerckt, en af te zijn gemaelt, ‘Hoe lang een oude feyl ontrent de menschen dwaelt. Men hout dat dese greep uyt Romen is ghekomen, Van dat haer eerste jeucht de maechden heeft genomen, Van dat haer eerste Vorst de vrijers gaf de loos Waer op doen yder man een eyghen vrouwe koos. Ist niet een selsaem ding? t'is duysent jaer gheleden En duysent boven dat, en siet! in onse steden

Gewoel vant Bruylofs-volck als de Bruyt slapen gaet. Wert, oock tot heden toe, de bruyt om her gheruckt, Om dat eens vrouwe-kracht te Romen is gheluckt. Ick bidde wat ick mach, hout stille, rouwe gasten, Ten staet u geensins vry soo grillich aen te tasten Een die u niet en raeckt, een die nu is ghevrijt, En door de vaste trou een ander toeghewijt. Wat gaet de Zeeuwen aen met Romen aen te spannen? Wat roert ons eenich volck by vonnis uyt ghebannen? Wech met dat oude vuyl. in Zeelandt is de bruyt Geen ruyters eyghen slaef, geen roovers eygen buyt. Ten heeft doch geen bescheyt so grooten woel te maecken, Het weerde trou-verbont is vande goede saecken Daer niemant in en treet als met een vryen wil, Dus laet het slim gebruyck, en weest doch eenmael stil. Ghy zijt een eygen volck van Gode vry ghelaten, Dus laet u sedich hert de vremde rancken haten, Comt voucht u nae den tijt, en weest niet langer dwaes, Ontrent een deftich werck en dient geen mal gheraes. Maer siet! de stille nacht coomt sachtjens aengevloghen, En heeft een duyster kleet om onse kim ghetogen, Men siet geen lichte maen, geen stralen vanden dach, De schaemte vande bruyt vint daerse schuylen mach.Noctu uut vespertino crepusculo illa sponsae deductio apud veteres fiebat, vel propter verecundiam, vt Plutarch. in problemat; vel si quid deforme, id tegeretur. Costan. tract. de nupt.

Hinc Catullus.

Vesper adest, juvenes, consurgite; vesper Olympe Exspectata diu-- &c.

Fax etiam nuptialis rapi solita (auctore Festo) in eundem effectum. Dat hier geen dertel wicht, met onbeschofte streken, En maecke voor de deur te tieren, of te spreken; Geen speelman, geen geroup, geen sang en doe belet;De strepitu qui prima nocte ad thalami fores excitabatur, de versibus fescininis ibi decantatis, & alijs hujusmodi vide Hotom. in observat. quae ad veterem ritum nuptiar. pertinent. cap. 31. num. 4. De bruyt, en haer ghevolch, doet binnen haer gebet:

Bruyts ghebedt. Reyn VVesen, Eeuvvich God, die vanden aenbeginne Hebt inden mensch gheplant de sucht tot echte minne, Hebt inden man gheleyt de gronden vande trou, En nae den man gheneycht de sinnen vande vrou. Reyn VVesen, Suyver Lam, die uyt de maecht geboren, Hebt tot het diep gheheym den echten staet ghekoren, Hebt, als een eyghen bruyt, ghetrout u vveerde kerck, En aende trou ghejont dijn eerste vvonder-vverck. Reyn VVesen, Heylich Vyer, die met bedeckte stralen Komt syghen uytte lucht, komt inde menschen dalen, En suyvert aen de siel al vvatter is bevleckt, Al vvatter uyt het vlees verkeerde lusten treckt. Reyn VVesen, Eenich God, vvy strecken onse leden Tot dijnen hoogen Throon, vvy storten huys-ghebeden, En roupen om behulp, op onsen bruylofs-dach, Ten eynde dit beroup ons salich vvesen mach. Geeff eerst, ghenadich God, dat vvy ter vveder-syden Tot onderlinghen troost, u soeten naem belijden, Eenparich van gemoet; gheeff ons een sachten geest, Die zijnen Heylant lieft, en zijnen Schepper vreest. Leer ons tot aller stont u vaderlijcke slaghen Met nederich ghedult en sonder morren draghen, Ten eynd het sondich vlees en alle slim bejach Sich onder dijne vvet gheduerich buyghen mach. Laet gheen verkeerde sucht door onse kamer dvvalen, Laet gheenen vuylen brant ons inde leden malen; Bevrijd ons vande tvvist en alle stuer ghebaer; Geef yeder volle lust ontrent zijn vvederpaer; Laet over ons bedrijf u gunste neder syghen, Soo dat vvy nimmermeer van dijnen seghen svvyghen;

By-een-komste van Bruydegon en Bruyt. Doch geef ons evenvvel gheen meerder ommeslach Als ons en ons gesin ten goede dienen mach. VVy bidden, lieve God, niet om een aerds ghenougen, Maer dat sich onse vvil nae dijne mochte voughen; Behoed ons voor ghebreck, en grooten overvloet; Maer jont ons dijnen troost; soo vvort het bitter soet. Doch, soo het vvesen mocht, een deel van dijnen seghen, Dat vvy tot onser vreucht ghevvenste vruchten kreghen; Soo vvil[t]se vander jeucht begaven met verstant Ten dienste vande kerck, of van het vader-lant. En vvil des niettemin in ons den geest vervvecken Om onder dijne vrees hen op te moghen trecken, Ten eynde, voor besluyt, en ons en hun ghelijck In Christo sy bereyt het eeuvvich Coninckrijck. Vriendinnen, met verlof; ick bidde, ruymt de kamer, Hier is nu weynich volcks en stilte vry bequamer Als eenich groot gewoel. de bruyt treet aen het bedt, Nu moeder, sluyt de deur, en draecht de sleutel met. V is nu, bruydegom, volkomen recht gheboren, Genaeckt u weerde pant, van duysent uyt gekoren, Begroet u weder-helft, niet met een geyle mont, Maer uyt een sedich hert, en yder woort een pont.Vel Ischomachus apud Xenophontem de administ. domest. hujusmodi ferè colloquium cum vxore instiuit, quo sese mutui officij admonent conjug s, idque sub ipsum initium matrimonij. vide Xenophont lib. 5. Scio non defuturos, inquit Erasmus, qui sib. belli videntur ac festivi, quibus haec talia ab surda videbuntur, sed valcant illi sine Christo belli. De Christ. matrim. Mijns herten soeten wens, van Gode my ghegeven Tot lust en soete vreucht in dit ghesellich leven; Mijn troost, mijn ander ick, ghehecht in mijn ghemoet Meer als mijn vader selfs en al het naeste bloet. Gewenste bed-ghenoot, verkoren boven allen, Ten lesten sydy mijn; mijn sydy toegevallen, Wy zijn van nu voortaen, wy twee en zijn maer een, Wat eerstmael eyghen was, is even nu gemeen;

Aenspraecke des Bruydegoms totte Bruyt. Wy zijn door echte trou, en op ghewisse gronden, Ons leven-dagen langh te samen ingebonden; Soo dient dan overhant dit jock alsoo versacht Dat ons geheele sucht tot vrede sy ghebracht. Indien wy door de trou in rechte liefde paren, Wat quaet sal immermeer ons mogen wedervaren?Chrysost. in Genes. Homil. 37. Wat sal ons hinder doen; of brengen inden druck? Twee herten eens gesint zijn boven ongeluck.Quando concordia, pax, & vinculum dilectionis cum muliere & viro fuerit, omnia simul affluunt bona, & nullis insidijs expositi sunt, magno & inexpugnabili muro circundati; hoc juxta Dei sententiam eos fortiores reddit hoc omnibus divitijs & abundantiâ eos magis locupletabit, hoc supernam gloriam ijs conferet, hoc & Dei benevolentiam ijs vb[e]rtim conciliabit. Proinde, inquit, oro ne quid illis praeferendum existim[e]mus, sed omnia faciamus & agamus, ita vt tranquillitas & pax sit cohabitantibus; tunc autem & filij, qui nascuntur, & servi & tota vndequaque domus virtute florebit, erit multiplex rerum prosperitas. Schrijft dit in u ghemoet; waer dat ghehoude lieden Sich vieren over-hant, en waere gunste bieden, Daer is een goede geest met alle segen by, En maeckt het echte paer van alle plagen vry; Daer wort het gants gesin, kint, boden, nichten, neven, Als door een vast ghevolch, tot soete rust gedreven; Daer wortet ïnnich hert gesuyvert vanden haet, Daer vloeytet altemael van enckel honich-raet. Comt ons de lieve God maer kleyn beslach te geven, Wy konnen evenwel, wy sullen vrolick leven, Wy sullen onsen loop voltrecken sonder pijn, Indien wy voor den Heer maer eenich konnen zijn.Dat sy haere sielen d[e]n ghetr[ou]wen Sch[e]pper bevelen met wel doen. 1. Pet. 4.19. Off God sal alle ding naer ons behouften voughen Off God sal onsen geest in alle ding vernoughen; Indien geen rijcke schat ons koffers op en volt, Ons vreuchde sal bestaen door middel van gedult. Wat my in als belangt, ick neme tot getuyghen En God en onse trou, mijn leden sullen buygen Tot vlijt, en rijpe sorch, tot alderley beslach, Dat yemant vanden man met reden eysschen mach. Ghy, in het tegendeel, leert uwe sinnen stieren Tot onderling behulp, leert uwen hoeder vieren;

Op dat in als de man mach zijn ontrent het wijf Gelijck een weerde siel is aen het gansche lijf. Wy sullen onder dies, wy sullen tusschen beyden, Al watter is te doen met reden onderscheyden, En plegen ons beroup nae eysch en rechte maet, Ghy diensten van het huys, ick dingen vande straet.Mihi videtur Deum naturam mulieris ad curam intus suscipiendam in lucem protulisse, molliore corpore, vt intra parietes officium obiret; at viri corpus animum ad calores ac frigora patienda, tum etiam ad labores pacis ac belli constituisse, ideóque res illi foras agendas delegasse. Xenoph. In familiâ dispartita sunt officia: sunt alia viri, alia vxoris propria. externa negotia viro permitte. Grego. Naz. ad Olymp. En evenwel nochtans soo sullen alle saecken Ons in gemeene plicht, en niet als eygen, raecken, En dat op desen voet; een yder in het sijn, En even ondermengt als water ende wijn.Prosunt conjuges sibi mutuò, sua in commune conferentes: ob eamque causam suavitas in hac tali amicitia inest, vtilitasque maxima. Aristot. Eth. lib. 8 cap. 12. Het stuck aldus beleyt, sal yder zijn betrouwen Dan vorder op den Heer en zijn beloften bouwen; En schoon daer onweer rijst, en stuere vlagen maeckt, Tis God, de groote vorst, die voor de zijne waeckt.Die tot God comt, moet gelooven, dat God is, ende dat hy de ghene die Godt soucken loont. Hebr. 11.6.

De hant onses Gods is ten besten boven allen die hem soucken. Esra. 8.22.

De wandelinge sy sonder giericheyt, weest te vreden met het teghenwoordighe; want hy heeft gheseyt: Ick en sal u niet begheven, noch en sal u niet verlaten. Hebr. 13.5. En als het schoon ghebeurt dat God in onse tijden Sent vaderlicke tucht, sent eenich bitter lijden, Ten dient ons evenwel niet tot een drouve val, Het eynd is enckel heyl, het eynde rechtet al.u sal een licht inde duysternisse opgaen, ende uwe donckerheyt sal zijn als de middach. Esa. 58.10. Al wat de jeucht besit verandert mette jaren, De lust gaet haeren gang, laet ons in liefde paren, Niet op een schoone verf, niet op het lijf gegront, Maer op het innich goet, het ware trou-verbont. Laet vrede, soet beleyt, en minnelijcke seden Meer trecken ons ghemoet, als opgepronckte leden, Laet God doch boven al ons zijn de grootste wet, Hy is, op wien het ooch in allen dient gheset.

Weder-spraecke vande Bruyt. Het eynde vande trou is kinders op te wecken; Daer moet geen reyne min tot quade lusten strecken, Dus laet de weerde trou, versegelt mette tucht, Ons brengen uytten brant, en leyden totte vrucht. Dat zijn tot onsen troost de vaste bruylofs-gronden, Waer op de losse jeucht moet werden ingebonden; Hy vint sich buyten spoor, wie hier te verde gaet; ‘Al wat ten goede streckt bewaert de middelmaet. Dit mach de jonge bruyt een weynich overlegghen, En weder, als het dient, haer tegen-reden segghen: Behoeder mijner jeucht, van Gode my gejont, In wien mijn reyne siel alleen vernougen vont. Ontfangt u jonge bruyt, en dese teere leden, Die ick aen u alleen nae desen sal besteden; Ontfangt u wederhelft, u lot, u echte wijff, Ontfangt in uwen schoot een ongeschonden lijff,Benè agitur cum virgo ad maritum novum adfert bonam animi indolem, pulchritudinis gratiam, floris rudimentum. Apulie. apo. 2. Een lichaem sonder vleck, een kuys en eerbaer wesen, Een roose metten dau, by niemant oyt gelesen, By niemant aengeroert; ontfangt doch boven al Een toegenegen hert dat in u leven sal, Dat uyt zijn gansche lust, en met geheele krachten, Tot u vermaeck alleen sal drijven zijn ghedachten, Sal woonen metten geest in u mijn even-beelt, Soo lang een kleyne lucht in desen boesem speelt. Ghy, stiert my niet alleen tot huyselicke saecken, Maer leert my boven al tot onsen Godt genaken,Dirige quam diligis.

Vxor rectè divina & humanae rei socia dicitur l. adversus C. De crimine expilat. haered. Leert my te buyten gaen, en treden metten voet Al wat ons ydel vlees leyt van het ware goet. Leert my voor alle ding, door vriendelick vermanen, Te scheyden mijn ghemoet van alle sotte wanen;

Dat sal in desen geest ontsteken meerder vonck Dan of my eenich mensch de gansche werelt schonck. ‘Twee sielen eens gesint, om God te willen eeren, ‘En konnen nimmermeer van haere liefde keeren; ‘Want als het nietich schoon sal vande leden gaen, ‘Dan sal de ware min op vaste gronden staen. O goet, o soet begin! o vreucht, o hemels leven! O! dat een yder poogh een sachte spoor te geven Aen zijn bescheyden deel, op dat in alle vlijt Al wat ten quade streckt van beyde sy ghemijt. Admonendi sunt conjuges vt exhortantes sese invicem salvent. Greg. in Post. part. 3. adm. 28.

1. Cor. 7.

1. Pet. 3.1. Wat isser beter ding als met ghesette reden, Door heus en rijp ghespreck, en even door gebeden, De sinnen over-hant te voughen nae de leer, En met ghelijcke sucht te treden voor den Heer? Wat isser quader slach, als sonder tegenspreken De sonden aen te sien en alle siel-ghebreken Te dulden inde borst van uwen weerden vrient, Die uytte modder-kuyl voor al getoghen dient? Allusio ad. luc. c. 17. 34.

Ouwen.

Si fortè in coelum vir sumitur, vxor in orcum,

Aut contra; non sunt amplius vna caro. Hoe kander harder leet, of drouver stuck ghebeuren, Als twee, die eenich zijn, van een te later scheuren, Soo dat (o selsaem ding!) een vlees sou moeten zijn, Ten deel in alle vreucht, ten deel in alle pijn. Poocht, man en vrouwe, poocht, oock met gestorte tranen V lieve wederhelft tot deuchden op te manen; Poocht met u gantsche kracht te weeren uytter hel V weerde jock-genoot, u diere bed-gesel. Tis beter, diemen lieft, zijn feylen aen te wijsen, Als, door een sot ghevley, een quaden aert te prijsen, De tucht, al valtse swaer, is enckel vriende-werck; Een onderling vermaen, een huyselicke kerck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Houwelick · Jacob Cats · Poetry Cove