Tit. 2. vers. 3.4.5.
Dat de oude vrouwen leererssen sijn der eerlijckheyt: op dat sy de jonghe vrouwen onderwijsen haere mannen lief te hebben, haere kinderen lief te hebben, voorsichtich te sijn, suyver, het huys te bewaren, goet, haren mannen onderdanich: op dat het woort Gods niet ghelastert en worde.