Rubijn.
INdiender eenich lid beladen met rubijnen Laet oyt zijn edel root van uwen vinger schijnen, Soo let op dese verw, het is een eygen deucht, Een ciersel voor de bruyt, een schanse voor de jeucht. Vernantis eris purpura, honos frontis, ac decus perenne pulchritudinis quid sit rogas? Modestia. Putean. Wat immer met bescheyt in vrouwen wort gepresen Dat is een sedich ooch, een stil, een eerbaer wesen;
Een segel vande tucht, een onverbroken bant, Een seghen uytter aert de vrouwen ingeplant. Men houtet voor gewis dat midden inde barenVide Plin l. 7. c. 17. & L. Lemn. de Occult. nat. mir. lib. 2. cap. 6. ubi addit rationes physicas. Een vrouw, oock nae de doot, haer eere kan bewaren; Want al waer schaente woont, schoot, borst, en teere mont, Dat keert hem van het ooch, en geeft hem nae de gront. Maer komter eenich man met doode leden sweven, Die plach het gantsche lijff aen yeder bloot te geven, Want, nae de kunste leert en voor de waerheyt schrijft, Men vint dat onse romp meest opten rugge drijft. Weet dan u doode rif de leden om te trecken, En sonder eenich kleet u schaemte toe te decken; Versegelt, jonge vrou, versegelt uwen schoot; V schat, en beste pant, dat is het eerbaer root. Hoewel ghy dickmael zijt uyt aller menschen oogen, Wil des al niettemin u stil en sedich toogen; Wort noyt onmatich stout, of buyten reden vry, V schande wort gesien, al isser niemant by.
Cookies on Poetry Cove