IV.
U, Dichtren, werd van God de reuzentaak gegeven,
Het koude, bleeke lijk des volks te doen herleven,
En, als de Zone Gods den Lazarus weleer,
Het veege Belgenland den zweetdoek af te rukken.
Het weêr een gloênde ziel in 't ijzig lijf te drukken,
Opdat het als voorheen nog lauwren moge plukken
En krijgen zijnen stoet van heldenzonen weêr!
o Broedren! deze taak is groot. Zij eischt de krachten
Van Godestolken met des Heeren geest bezield.
Gij, Zangren, gij kunt nooit ten loon van uw gedachten
Iets dan verloochening en dan bespotting wachten
Van 't volk dat voor uw schreên gedachtloos henenkrielt;
Als Mozes zult ge door de woestenijen trekken
Om met uw Israël 't beloofde land te ontdekken:
Doch nimmer zal uw voet den heilgen boôm betreên...
Uw loon is elders. - Eens zult gij van de aard' verdwijnen
En, Barden, zal uw naam aan hooger transen schijnen,
En glansen als de troon waar Eljas op verdween.
....................
....................
1838.