De heide.
Doch u begroet ik het liefst, Grenspaal van leven en lust, Grenspaal van leven en leed, Heide, die vlak als het Meer, Heimvol als 't sombere Woud, Bar en verwoest als de Bergkruin, Menschen noch dieren en lokt, Schatten noch rijkdommen teelt! Wie er uw bodem betreedt, Voelt zich alleenig met God.
Alle gewoel houdt hier op, Alle gejoel en gejuich, Alle gedrang en gedraaf, Alle het ijdel gegons, Hier als het leven geroemd, Stil is uw vlakte als het graf.
Even als 't veld van de rust, Duldt ge den vogel der nacht, Die bij zijne eenzame vlucht D'eenzamen pijnboom bezoekt; Maar geen gezucht noch gesteen Stoort de onverstoorbare rust.
Uw onbevruchtberen schoot Scheurt noch bezwangert de ploeg; t Levende water vloeit ver, Verre van 't dorstige zand. Laat de onverzaadbere mensch Haken naar schatten van goud,
Nooit buit zijn rooflust op u Die goud noch schatten verheelt.
God was zoo mild toch voor u! Gaf Hij het leven aan 't Woud, 't Leven aan Berg en aan Meer, Schonk Hij hun al wat Hij schiep, Toen Hij in 't ijdele ruim Hemel en Aard' deed ontstaan, U deelt Hij mede, u alleen, 't Heilige kleinood der Rust Die Hij den zevenden dag, Hij, de Allerhoogste, genoot.
Welkom is, ja, mij het Woud, Huivrend begroet ik het Meer, Schoon rijst de Berg voor mijn oog; Maar toch bemin ik ze niet, Niet zoo als u, barre Heide, Niet zoo als u, stille Rust!
1847.
Cookies on Poetry Cove